Labels

zaterdag 10 februari 2018

Reünie

Hobbema, “Het laantje van Middelharnis”, 1689

     Vanuit de bodem van mijn verborgen herinneringen weerspiegelen zonnige vlekken mijn verbroken kinderjaren. Ik voel en word weer tastbaar gewaar: de geur van het bos van mijn vader, het vochtige pas gemaaide gras. Ik hoor weer de duiven, roepend op het dak van mijn opa. Ik tuur weer in de wereld van de levenvolle sloot en naar de gloedvolle horizon achter kilometers weide. Ik voel weer het knerpen van de schaatsen in de winter en het spatten van water in de zomer. En de veilige nabijheid van mijn vader en moeder. Een vorig leven. Een ander persoon.

    De mensen van toen, gezichten van toen, vaak al gestorven sinds jaren.

   Het valt me steeds moeilijker terug te gaan naar de wereld van mijn kinderjaren. Het raakt te ver. En dan heb ik het nog niet eens over de periode daarvoor. De kennis van onze voorouders reikt meestal nauwelijks verder dan ons opa en oma. Wie herinnert zich die nog de namen van zijn overgrootvader en overgrootmoeder? De tijd heeft ze in de eeuwigheid doen opgaan. 

    Pijnlijk, voor hen en misschien ook wel voor ons.

    Soms probeer ik mij een voorstelling te maken. Een reünie. Mannen, vrouwen… boeren zie ik ... Vooral boeren. Wat rest zijn schaarse herinneringen, schaarse verhalen. En wel licht hetgeen sommige van ons nog aan boerse eigenschappen hebben. Want daar zijn we allemaal geworteld. Ook ik. Mijn voorouders van vaders zijde waren boeren, zo blijkt uit documenten. Ze verkavelden in elk geval tot diep in de zeventiende eeuw terug.

     Wat had ik ze graag eens ontmoet.