Labels

vrijdag 29 november 2019

Klein, Mary en de articiteit


William Klein, “Mary, egg, croisant”, 1957, Rijksmuseum

William Klein (1928) is een van de meest eigenzinnige nog levende fotografen. Of hij nog fotografeert weet ik niet, maar foto’s die hij tussen 1955 en 1965 maakte voor Vogue zijn artistiek gezien van de hoogste kwaliteit. Ik kan er naar kijken als naar een Monet. Een Picasso, nog liever.

Klein was van huis uit kunstschilder. In 1948 trok hij vanuit New York naar Parijs om verder te studeren in het atelier van de kubistische schilder en beeldhouwer Fernand Léger. Hij raakte verzeilde in avantgarde-kringen, die na de oorlog nieuw elan kreeg. Zijn interesse ging echter uit naar vooroorlogse stromingen als Bauhaus, De Stijl en het Russisch constructivisme. Uiteindelijk koos hij voor de fotografie. Toen hij in 1955 gevraagd werd voor een reportage in Vogue zag hij al snel de artistieke potentie van de modefotografie, waarin de schoonheid van de modellen de esthetiek van het resultaat nog eens extra accentueert.

Klein ging er prat op dat de modefoto’s die hij vanaf 1955 voor Vogue maakte volgens een lezerspoll tot de minst populaire behoren die in het blad verschenen. Het typeert zijn controversiële houding. Met zijn onscherpte en beweging gaf Klein een nieuwe impuls aan de modefotografie. Op bovenstaande foto zorgde een telelens ervoor dat voor- en achtergrond in elkaar ‘gedrukt’ werden. Groothoeklenzen van soms 17 centimeter versterkte dit effect. Zijn composities lijken op collages. Zijn opnames zijn van opvallend dichtbij.

Het model op de hier gepresenteerde foto’s is Mary Jane Russel (1926-2003), ze werden gepubliceerd in Vogue. Zou het dan toch kloppen dat echte kwaliteit niet samengaat met populariteit? Of andersom: dat de goegemeente die kwaliteit niet herkent? Het lijkt erop! En ik kan het weten! Toch?


“Mary and Dove and Perrier”, 1957

woensdag 27 november 2019

Cruijff als adviseur





Twaalf jaar geleden vertrok Cruijff na zeventien dagen als adviseur zonder titel bij Ajax. Het was crisis. Verzekeringsagent Coronel had een rapport geschreven. Johan geloofde niet in Coronel. Hij gooide de deur dicht. Binnengehaald als de verlosser ten tijde van crisis liet hij heel voetballend minnend Nederland in verbijstering achter. Het rapport Coronel had hij niet eens gelezen.

Op een managementsite schreef ik daarop de volgende reactie, die ik nog steeds op internet vind:

Vakinhoudelijke vervreemding is een groot probleem in het bedrijfsleven. Bestuurders en consultants leven in een eigen schijnwereld, met een eigen jargon, varen blind op cijfertjes en rapporten, maar hebben ondertussen nauwelijks nog inhoudelijke kennis en zien al helemaal niet meer wat er op de werkvloer werkelijk mis is.
Johan ziet meteen wat er mis is bij Ajax. Afgelopen zondag verloor de A1 met 5-0 van Den Haag. En de week daarvoor en daarvoor verloren ze ook al. Het gaat niet goed met Ajax, zegt Johan. Daar heeft hij geen dik rapport voor nodig. Ziet-i zo ook wel.
Toen Johan eind jaren tachtig met de jeugd van Ajax bezig was ging het nog anders. Toen stonden alle jeugdtrainers van Ajax bij een wedstrijd van de A1 nog allemaal naast langs de lijn. En elke trainer wist nog precies wat hij wie geleerd had, in de E1, een ander in de D1. Alle trainers waren met een gezamenlijke zaak bezig en volgden de pupillen door de gehele jeugdopleiding. Nu heeft elke trainer zijn eigen resultaatverantwoordelijkheid en voor het overkoepelende zijn coördinatoren benoemd. Nu zijn jeugdtrainers elkaars concurrenten geworden. Ze moeten met hun eigen team presteren. Niks spelers uitlenen als er in een ander team tekort zijn. Eerst zelf als trainer resultaten halen, dan kan je later makkelijk hogerop, en of die spelers er uiteindelijk wel of niet komen is een tweede.
Johan heeft dat allemaal in de gaten. Het moet helemaal anders, zegt-i. Die coördinatoren moeten eruit en de trainers moeten weer een team worden. En de spelertjes moeten meer vrijheid krijgen en minder taken in het veld.
Maar toen begonnen de bobo's weer over verantwoordelijkheden. En onder die coördinatoren zaten een paar vriendjes van Marco, en Marco wilde ook al niet meewerken. Dus Johan gaf zijn opdracht weer terug. Johan gaat niet liggen polderen, want dan los je nog niks op.
Groot gelijk. Stop maar Johan. Je komt er niet meer doorheen, bij die mensen.
Er zal nu wel weer een echte consultant of bestuurder komen, die het jargon wel beheerst. En die geen verstand van voetbal heeft. Die zo vanuit bijvoorbeeld het wielrennen kan worden overgeheveld en in dezelfde taal kan doorspreken, alsof het inhoudelijk allemaal niet uitmaakt. En Ajax zal weer niet beter worden. Ik vrees, nu Johan voor Ajax verloren is, nooit niet meer.



Ajax heeft vanavond weer gewonnen. Ajax doet het weer uitstekend. Overmars en Van der Sar staan aan het roer. Resultaten spreken. En ik heb ongelijk gehad, wat mijn laatste zin betreft in elk geval. Het kan ook zonder Cruijff. Gelukkig maar.

dinsdag 26 november 2019

Sinterklaastijd


Israëls, “Etalage”, 1894-1898

                                            De wind draait zacht, de wind waait hard,
                                            Blaadjes vallen van de bomen,
                                            Regen, koude, buiten, binnen,
                                            Heerlijk avondje moet komen.

                                            Het raam staat open, raam klapt dicht,
                                            Beschijnt de maan mijn verre jeugd,
                                            Binnen, buiten, bij de kachel,
                                            Hoezeer ik ooit mij heb verheugd.

                                            Hoezeer het leven,
                                            Al die jaren,
                                            Doet de waarheid uit de doeken.

                                            Hoezeer ik altijd,
                                            In december,
                                            Naar de echte Sint zal zoeken.


zondag 24 november 2019

Kunst en er iets van weten


Jan Veth, “Albert Verwey”, 1885

In het Rijksmuseum liep ik door de zaal met negentiende eeuwse schilderijen. Bij het portret van Albert Verwey door Jan Veth zei iemand: “kijk, dat is Jan Veth”. Even later keek hij op het kaartje en zei: “nee, natuurlijk niet, Veth is de schilder. Het is Albert Verwey”. 

Ik ben een kunstliefhebber. Dat mag ik gerust zeggen. Maar ik zal me geen kenner noemen. Wat heet kenner? Ben je een kenner als je kunstgeschiedenis hebt gestudeerd? Echt niet, zeker niet als je daarna de kunst een beetje vergeet, er innerlijk niets mee doet. Als met zoveel beroepen.

Als ik naar een tentoonstelling ga koop ik altijd een catalogus, vaak zelfs vooruit. Tegenwoordig koop ik vaak catalogi zonder de tentoonstelling te bezoeken. Zeker als ik van Limburg naar Groningen moet of zo. Vaak geniet ik meer van de catalogus dan van de tentoonstelling zelf, een beetje afhankelijk van de vraag met wie ik de tentoonstelling bezoek, misschien.

Ik ben er intussen achter dat schrijven over kunst een twijfelachtige activiteit is. Heeft kunst wel woorden nodig, eigenlijk? Wat ik weet is dat het helpt wanneer je iets over de context weet, soms iets over het leven van de kunstenaar, specifiek op het moment van creatie. Dat helpt. Je kunt nu eenmaal niet het hele kader zomaar zelf even scheppen. Iets vergelijkbaars geldt bij de interpretatie van symboliek, die je nu een maal niet zomaar altijd ziet. Soms heeft de kunstenaar een expliciete bedoeling. Kunst kijken is leuker als je er iets vanaf weet. Dat weet ik.

Het blijft lastig. Wat zou je allemaal moeten weten? Moet je de gedichten van Verwey kennen om Veths portret beter te kunnen waarderen? Moet je iets weten over de relatie tussen Veth en Verwey? Of nog breder, van de beweging der Tachtigers? Ik weet het niet. Kan het ook niet weten, omdat ik nu eenmaal weet wat ik weet. En dat ik het een prachtig portret vind, met alles wat ik ervan weet. Dat weet ik! Maar daar heeft een eventuele lezer van dit blog niks aan. Dat weet ik ook.

zaterdag 23 november 2019

Opvoeding geslaagd


Gauguin, “Le Cheval Blanc”, 1898

Ik herinner me dat we aan de keukentafel zaten. Mijn zonen waren nog in de lagere schoolleeftijd, Hooguit brugklas, de oudste. We zouden bijna gaan eten, ze zaten net en waren aan het wachten.

Op de radio hoorde ik ineens Radiohead. Teen Spirit. Mijn oudste zoon stond op.

“Wat ga je doen?” zei ik.

“Beetje harder zetten”, zei hij.

“Opvoeding geslaagd”, zei ik tegen mijn vrouw. En dat denk ik nog steeds.

vrijdag 22 november 2019

Herformulering


Wouwerman, “De schimmel”, 1846

Mensen die veel in zichzelf praten zijn goede schrijvers, heb ik ooit geleerd. Dat heeft met overeenkomstige denkprocessen te maken, zo schijnt, met het herformuleren van gedachten.

Ik ben nogal reflectief van aard, niet iemand die altijd direct het goede antwoord klaar heeft, niet zo goed in debatteren. Liever heb ik even tijd nodig om te denken. Meestal weet ik pas achteraf, wanneer ik ergens de deur uitloop, wat ik eigenlijk had moeten zeggen. Als ik in de auto zit, terug naar huis. Dan herhaal ik alles nog eens voor mezelf, in een lange monoloog. Als het te laat is. Zoals altijd alles te laat is, en in feite nooit is gekomen.

Is dat erg? Een gebrek? Acht wat! Laat mij maar in de auto na-debatteren. Dat is prima zo. Wie het laatst lacht lacht het best. Ook al is het in mijn eentje.

donderdag 21 november 2019

Even ergens anders


Modigliani, “Portret van de schilder Frank Haviland”, 1914 

Ik luister naar Grünberg op de Belgische TV.

Schrijf je alle dagen?

Ja ik schrijf alle dagen, het is geen vlucht, maar het ik houd van die concentratie, het is prettig even ergens anders te zijn.

Alsof ik mezelf hoor praten.

De interviewer noemde Grünberg de beste Nederlandse schrijver van dit moment. Misschien heeft hij wel gelijk. Ik heb hem met plezier gelezen, maar heb geen behoefte om alles van hem te lezen. Net als bij Mulisch. Maar die is dood.

Elf uur. Ik hoor de klok. Het wordt tijd dat ik naar bed ga.

woensdag 20 november 2019

Kaas


Floris van Dyck, “Stilleven met kazen”, ca. 1615

In de literatuur wordt niet zo ontzettend veel gelachen. Maar er zijn boeken die lees je van voor tot achter met een lachje, af en toe bijna proestend. Bijna zeg ik. Elsschots Kaas is zo’n boek.

Kaas marcheert altijd, zegt Van Schoonbeke tegen Laarmans. Kaas is van alle tijden. Kaas is een leuk boek, hoorde ik mijn schoonbroer ooit zeggen, heb ik nog gelezen voor mijn lijst.

Kaas is een boek dat uiteindelijk treurig nagalmt. Zolang er gehandeld wordt zullen er Laarmansen zijn. De wereld van werkende mensen heeft iets triestigs. Al die Laarmansen die hoger op de maatschappelijke ladder proberen te komen. De vrienden van Van Schoonbeke die opgeven over restaurants waar ze allemaal zo geweldig gegeten hebben. En Laarmans die nog nooit van die restaurants gehoord heeft, laat staan dat hij weet hoe er de hors d’oeuvres smaken. Het maakt hem een beetje gek.

Mij krijgen ze niet meer gek, hoop ik. Stilaan kruip ik naar het einde. Gelukkig maar.

dinsdag 19 november 2019

Metsu’s onafscheidelijke pendanten


Metsu, Briefschrijvende jongeman bij geopend venster,
1665-1667, 52,5 x 40,2, National Gallery of Ireland

Gabriel Metsu was een van de grootste schilders uit onze Gouden Eeuw. Lange tijd Overvleugelde zijn roem die van Vermeer. In de achttiende eeuw werden werken van Vermeer zelfs verhandeld onder de naam van Metsu, omdat ze dan beter opbrachten.

De werken van Metsu zijn, anders dan die van Vermeer, niet allemaal van gelijk niveau, maar wat hij schilderde in de laatste jaren van zijn leven is absolute top. Hij werd slechts zevenendertig jaar oud. Wat als hij toch eens langer had mogen leven?

Brieflezende vrouw en Briefschrijvende jongeman bij geopend venster, geschilderd kort voor zijn dood, zijn pendanten. Een jongeman schrijft een brief aan zijn geliefde, zijn geliefde leest de brief, een naaiwerkje op haar schoot. Aan kleding en interieur te zien gaat het om mensen in uitermate goede doen. Mogelijk is de jongeman VOC-koopman, met wereldse belangen, gesymboliseerd door de globe en het marinetafereel op het schilderij met zijn geliefde, voor wie zich een nieuwe wereld opent. Het pastorale landschapje achter de jongeman kan duiden op het rustige idyllische leven dat hij in het huwelijk hoopt te vinden.

Opvallend detail is dat de brief die de meid tussen haar vingers vasthoudt gericht is aan de schilder: Gabriel Metsu, staat er te lezen. Ik vraag me af wat er in staat. Wat zou ze denken? Wat heeft Metsu gedacht toen hij dit detail zo weergaf? Iedereen denkt er het zijne van, van de liefde, het huwelijk, de dromen van de toekomst. Eeuwenlang bleven beide schilderijen als gezamenlijk bezit bij elkaar. Ook dat wil wat zeggen, heeft iets aandoenlijks. Het blijven prachtige werken.


Brieflezende vrouw, 1665-1667,
52,5 x 40,2, National Gallery of Ireland

maandag 18 november 2019

Coconuts


Kid Creole and his Coconuts, 1982, links natuurlijk

Laatst werd in gevraagd naar een guilty pleasure. In 1982 bestond dat woord nog niet, maar toen had je wel Kid Creole and the Coconuts. Ik zag ze op Pinkpop. Steeds dichter schoof ik naar het podium. Het bracht me vrolijke zin. Niet zozeer de muziek, maar vooral de Coconuts trokken me aan. En vooral die ene, die me deed denken aan mijn latere vrouw. Nog steeds wat doet denken trouwens. Taryn Hagey, heette ze, als ik het goed heb nagezocht. We hadden toen nog geen relatie, dat kwam pas later. Ik weet niet meer wat eerst kwam. Mijn voorkeursinstinct heeft me niet in de steek gelaten, zo constateer ik nu nog steeds, zoveel jaren later. Soms is moeilijk te zeggen wat je precies aantrekt in een vrouw. Door welke aspecten het bepaald wordt, welbeschouwd. Ik herken niets van mijn moeder, bijna in tegendeel zou ik zeggen, maar moet toch ergens diep in mijn oorsprong liggen. Ooit moet het begonnen zijn. Het zal nooit meer veranderen.

Pinkpop 1982

Rechts natuurlijk



zondag 17 november 2019

Alles wat voorbij ging



Bardot op de set van Les Petroleuses, 1971


De Britse celebrity-fotograaf Terry O’Neill  is gisteren overleden, 81 jaar oud. Hij had prostaatkanker, lees ik. Een onafzienbare reeks celebrities uit de film-, muziek- en modewereld verscheen vanaf de jaren vijftig voor zijn camera, en zelfd leden van de Engelse koninklijke familie. Met veel artiesten en filmsterren bouwde hij een persoonlijke band op, waardoor hij unieke ongedwongen en vaak intieme foto’s kon maken, ook backstage als privé. Met Faye Dunaway trad hij zelfs in het huwelijk. Het werk van Terry O’Neill werd gepubliceerd in de meest toonaangevende bladen en werd gebundeld in prachtige boeken, waarvan ik er eentje bezit: Celebrity, uit 2003.
Ik liet al eerder foto’s van O’Neill passeren. Zijn modellen zouden ook de mijne geweest kunnen zijn: Bardot, Hepburn, Sophia Loren, Liz Taylor. Zijn muziek was de mijne: de Beatles, de Stones, Bowie, Led Zeppelin. Zijn foto’s zijn iconisch, beslaan een deel van mijn leven. Met deze mensen ben ik opgegroeid, net zozeer als met al die familieleden en vrienden in mijn eigen foto-albums. Mijn persoonlijke nostalgie. Melancholisch gevoel dat dit alles voorbijgaat. Terry O’Neill is overleden. Een kleine hommage is op zijn plaats. Laat dat afdoende verantwoording zijn.

Sinatra
Elvis

 




 
Bardot 
Keith en Brian
 
Mick

   


Weer Bardot    

Bowie
   
Jimmy Page

  

 
En weer Bardot 
   
 
En andermaal Bardot 
 
Loren

 



En de laatste maal voor hier 
   
 
Birkin en Gainsbourg 
 
Audrey 
  





En Audrey 

Marianne Faithfull
Bowie met Liz Taylor 




zaterdag 16 november 2019

Hammershøi, “Repose”


Vilhelm Hammershøi, “Repose” (Rust), 1905, 49,5 x 46,5, Musée d’Orsay, Parijs

Vilhel Hammerhøi trouwde in 1901 met Ida Ilsted, de zus van zijn vriend en collega-schilder Peter Ilsted. Ida zou talloze keren figureren als zijn model, meestal bezien van op de rug. Het zijn stuk voor stuk juweeltjes van stilte en eenvoud. Een perfectionering van het oeuvre van Whistler, in mijn ogen. Evenaring van Vermeer. Inspiratie voor Hopper. Zeg het maar.

Tijdens mijn eerste bezoek aan het Musée d’Orsay bleef ik lang stil staan voor Hammerhøi’s “Repose””. Naar alle waarschijnlijkheid is het opnieuw Ida, hoewel het net zo goed een huishoudster had kunnen zijn of iemand uit de aristocratische vriendenkring van de schilder. We hebben geen idee wat ze doet, wat ze denkt. Een verfijnd kleurenpalet van grijzen en bruinen accentueert een huiselijke sfeer. De rechte lijnen en strakke hoeken suggereren een soort van protestantse strengheid waaruit de vrouw niet kan ontsnappen.

Geheimzinnigheid, melancholie, eenzaamheid, allemaal kwalificaties die passen en die vaak worden geplakt op het oeuvre van Hammerhøi. Allemaal dingen die ik vaak zoek en herken in de kunst, In muziek, in literatuur. Hammershøi wordt ook vaak beschouwd als een puriteins schilder. Ik zie dat anders. Zeker in “Repose” zie ik iets sensueels, met name in de weergave van de nek, misschien ook wel in combinatie met die gestrengheid die het uitstraalt. Niet voor niks bleef ik er indertijd zo lang bij hangen.

woensdag 13 november 2019

Soms spiegel ik

Alfred Stevens, “La Psyché”, ca. 1870

                                                        Soms spiegel ik
                                                        Alles aan elkaar,
                                                        Zonder reflectie,
                                                        Wachtend op elkaar,
                                                        Zonder veel verwachting,
                                                        En zonder groot gebaar,
                                                        Valt alles weer in scherven,
                                                        Dondert alles in elkaar.

                                                        Zonder verwachting,
                                                        En zonder veel bezwaar.


maandag 11 november 2019

Helden van mijn jeugd


Golden Earring, Pinkpop, 1977

Een verre herinnering.

Een popfestival in je tienerjaren is een belevenis. Mijn eerste festival was in 1977, Pinkpop, toen nog in Geleen. Met zeventien jaar keek ik mijn ogen uit. Naar de joints rokende verouderde hippies, naar de sexy geklede vrouwen, naar de acts op het podium. Een nog volop levende Tom Petty, Nils Lofgren op de trampoline, Father of day, father of night van Manfred Man. Ik vond alles geweldig.

Meeste indruk maakte echter onze eigen Golden Earring. Ik kende ze lang vanaf de lagere schooltijd en had de singletjes Back Home en She flies on strange wings (kant a en b). Inmiddels was ik geen groot fan meer, later ging het opnieuw over, maar het optreden op Pink Pop gaf me kippenvel. Ik weet nog precies waar ik stond. Ik werd betoverd door Mad love’s coming, met een sublieme Eelco Gelling op gitaar. Nog altijd het beste Earring-nummer voor mij.

Ik kocht het dubbelalbum “Live” en raakte opnieuw in de ban. De uitvoering van To the hilt draaide ik keer op keer, ooit tien keer achter elkaar, tot mijn moeder kwam vragen of er nu eens geen andere plaat op kon. Gelling en Kooymans speelden als Hunter en Wagner op de Live elpee van Lou Reed, een van mijn inmiddels nieuwe helden. Mad love’s coming en To the hilt staan nog steeds in mijn afspeellijst. En dat wil wat zeggen. Tussen de allergrootsten. De helden van mijn jeugd.

zondag 10 november 2019

Tussen droom en werkelijkheid


Henri Matisse, “Odalisk”, 1920-1921, 61,4 x 74,4 cm, Stedelijk Museum

Een van de mooiste schilderijen in een Nederlandse collectie is de “Odalisque” van Henri Matisse in het Stedelijk Museum. In de jaen nadat Matisse in 1913 Marokko bezocht schilderde hij veel odalisken, met name tijdens zijn periode in Nice, vanaf 1917. Het thema an sich is hier. echter niet zo relevant. Het is vooreerst een decoratief werk, waarbij voorgrond en achtergrond organisch in elkaar overgaan. De lijnen en kleuren van de figuur vermengen zich met die van de sofa. Bij langer kijken verdwijnt de dieptewerking en lijkt het een abstract werk. De erotiserende inhoud brengt het echter direct weer terug naar het aardse, waarmee je als het ware heen en weer geslingerd wordt tussen droom en werkelijkheid, zoals het dommelende meisje zelf.

Odalisk werd waarschijnlijk ergens in de jaren twintig door de Duitse textielhandelaar Albert Stern gekocht bij Galerie Flechtheim in Berlijn. Stern vluchtte in 1937 naar Nederland. In oktober 1940 werd het werk, met enkele andere, op naam gezet van Alberts neef en vertegenwoordiger van zijn handelsfirma Lieuwe Bangma, die het in 1941 verkocht aan het Stedelijk Museum. Albert kwam in 1945 om in het Duitse Laufen, waar hij geïnterneerd was. Waarom hij eerder afstand deed van het schilderij is niet duidelijk, nooit geworden. De transacties werden na de oorlog als legaal beoordeeld. Als tiener had ik daar ooit mijn geluk mee, toen ik stil bleef staan voor het schilderij, nog steeds aanwezig in het Stedelijk. En voor het eerst zweefde ook ik even tussen droom en werkelijkheid, zoals dat de bedoeling is van mooie kunst. Samen met het mooie meisje.

Zo mooi...

zaterdag 9 november 2019

Pseudo-psychiater


Rembrandt, “De blindmaking van Simson, 1836

Ooit las ik over een Duitse nep-psychiater, Gert Postel (1958), die vanuit de gevangenis een boek had geschreven.

De goede man had amper diploma’s, was van origine postbode. Via bluf-sollicitaties, waarbij niemand ooit naar diploma’s vroeg, klom hij snel op, uiteindelijk tot gepromoveerd academicus en psychiater, uiteindelijk zelfs tot geneesheer-directeur van psychiatrische ziekenhuizen in Colditz en Arnsdorf, hoge functies die hij jarenlang vervulde. Uiteindelijk viel hij bij toeval - niet door zijn incompetentie -door de mand en werd veroordeeld tot een gevangenisstraf. Hij stond op het punt om benoemd te worden tot bijzonder hoogleraar.

Ik herinner dat hij zei: “Als je eenmaal een bepaalde positie hebt verworven pikken ze alles van je. Je moet alleen zorgen dat je niet teveel de diepte in gaat, op detailniveau, als je dat weet te voorkomen heeft niemand iets in de gaten”.

Ook: “Ooit sprak ik voor een volle zaal met psychiaters. Ik had het over een bipolaire stoornis van de derde graad. Of ik had het over cognitief geïnduceerde distorties in de stereotypische formatie van de oordeelsvorming. Het sloeg allemaal nergens op, maar geen mens in de zaal knipperde met de ogen, laat staan dat er een vraag werd gesteld. Waarschijnlijk dachten ze ‘misschien heb ik mijn literatuur niet goed gelezen’ of meenden ze dat iemand als ik het wel zou weten”. Pluralistische onwetendheid. Ieder afzonderlijk kan er niks van gesnapt hebben, maar waarschijnlijk dachten ze dat het aan hen lag. Zo gaat dat. Om aan de top te komen zijn andere kwaliteiten nodig”.

Of: Men kan in de psychiatrie alles, maar dan ook alles op een plausibele manier verklaren: als psychiater kun je het tegendeel, maar ook het tegendeel van het tegendeel beweren. Wie het psychiatrische vocabulaire beheerst, kan eindeloos doorgaan met het debiteren van onzin en daarmee gestudeerde lieden inpakken“.

Postel verloor op twintigjarige leeftijd zijn moeder door zelfmoord, naar eigen zeggen door een rampzalig slechte behandeling door een psychiater. Nadat hij zich door lezen wat in het vak verdiepte dacht hij: dit kan iedereen. Als hem werd gevraagd waarop hij was gepromoveerd zij hij: op pseudoligia phantastica, oftewel pathologisch liegen, hetzelfde thema waar ook Hochstapler Felix Krull uit de gelijknamige roman van Thomas Mann zich in gespecialiseerd had.

Waar gebeurd. Les voor het leven.

woensdag 6 november 2019

Over de brug

Guillaumin, “Zonsondergang in Ivry, 1873

                                                  Ik rijd met de auto,
                                                  Traag in de file,
                                                  Over de brug
                                                  Het kanaal
                                                  Tussen het lover
                                                  Verborgen voor de wegen
                                                  Voor het leven
                                                  Met een boot in de verte,
                                                  Traag,
                                                  En zonder kabaal
                                                  Als een werk van Guillaumin,
                                                  Of een andere schilder
                                                  Vertelt mijn verhaal
                                                  Een verhaal van simpel meedoen
                                                  Naar het werk en dan weer terug
                                                  Ach was ik maar een schipper
                                                  Fluitend over water
                                                  Zonder zware gedachten
                                                  Waarin ik soms verdwaal.

dinsdag 5 november 2019

Snoepsigaret en de vroege verdorvenheid


Sally Mann, “Candy Cigarette”, 1989
Sally Mann is en van de grootste fotografen van deze tijd. Candy Cigarette is een van de meest opmerkelijke foto’s die ik ken.

Een associatieve interpretatie:

Een meisje van een jaar of tien kijkt uitdagend in de camera, een sigaret losjes en nonchalant tussen haar vingers. Haar houding en blik doen denken aan een vroege gemodelleerde adolescentie. Ze draagt een witte jurk met een vlindertje, dat onschuld uitstraalt. Achter haar zien we een pad. Het slechte pad misschien. Iemand loopt moeizaam op stelten, probeert het evenwicht te bewaren. Rechts staat een nog jonger meisje in een bijna moederlijke pose, eenvoudig gekleed, met de handen in haar zij. Zowel het kleinste meisje als de steltenloper kijken van het beeld weg, in de richting van het pad. Het meisje in de witte jurk heeft zich omgedraaid. Kan ze nog omdraaien? Een andere keuze maken? Of is ze al niet meer te redden. De volwassenheid en het verval zijn ingetreden. De metamorfose begint al vroeg, bij de eerste immitatie. De sigaret is het ultieme symbool van verdorvenheid. Weliswaar ontkracht Mann de primaire uitstraling door de titel en vermeld ze dat het om haar eigen dochter Jesse gaat, maar in feite vergroot die kennis alleen maar de unieke spanning van het beeld. Zoals ook alle andere foto’s die Mann van haar dochter maakte naar verval en verdorvenheid ruiken, doorheen de onschuld van het kind-zijn, wat eenieder er verder ook van moge vinden.

zondag 3 november 2019

Vergeten proeftijd


Bilders, “Weiland bij Oosterbeek”, ca. 1860

  Aan de ontbijttafel werden, als gewoonlijk, de plannen voor de dag opgemaakt. Er zou een tocht naar de rivier opgenomen worden, waar het goed vissen is, en Theo had in die buurt een paar wilgen op het oog die hij wilde schilderen. We namen een koude lunch mee in de proviandblikken. De morgennevels begonnen op te trekken en de schaduwen verdonkerden, terwijl wij, kniediep tussen graspluimen en bloemen, door weiland op weiland waadden.
  Bij een zijwatertje, dat kronkelend tussen lis en biezen stroomt, groeien fantastische oude knotwilgen, en daar werd stil gehouden. De forse loten, uit de gespleten, half vermolmde stammen, hieven het zilveren lover hoog tegen de blauwe hemel.
  Anton en Bertus pasten hun hengels in elkaar en gingen langzaam het smalle overpad langs, naar de rivier. Ik was voorover in het hoge gras aan de waterkant gaan liggen, de kin op de vuist gesteund. Het zachte plenzen van de stroom tegen de waterplanten en het wrang gezang van de leeuwerik, vreemd dalend van omhoog, was het enige geluid. Ik genoot, dromerig, van de landelijkheid en de zonnige, wijde stilte. Het was goed om zo te leven, in de zegeningen van het ogenblik en het verleden, en de onopgeloste vraagstukken te vergeten.

Stukje uit “De proeftijd”, fictief dagboek van de vergeten schrijver Frits Hopman. Eerder memoreerde ik al dat hij in de jaren dertig nog wel eens in één adem werd genoemd met Nescio en Elsschot, maar anders dan deze twee heeft Hopman de tand des tijds niet weten te doorstaan. Je zou dat kunnen beredeneren. Zijn manier van schrijven heeft iets oubolligs en er gebeurt zo goed als niets in “De proeftijd”. Maar dat is het niet, natuurlijk. Ook God laat weinig gebeuren. Net als Nescio. Het gaat om de toon, die ik herken als geen ander. De juiste toon neemt weinig notie van de tijd. Niet voor jongens als ik. Zoals we waren. Hoe oud we ook worden.

zaterdag 2 november 2019

Broedergeheim


White House, 1962

Zou het niet kunnen dat John en Robert Kennedy een geheim deelden. Dat ze overeenkwamen om samen de boel achter zich te laten, een andere wereld in te stappen, de mensen in de wereld te laten denken wat maar in ze opkwam: wij houden het voor gezien.

Alles is te ensceneren. De wereld is een groot toneel, een sprookje dat niemand door heeft. Soms wordt je er zover ingezogen dat je er niet meer uit kunt. Kun je er niet meer uit? Als je maar krachtig genoeg bent, zoals de Kennedy’s, dan kun je er altijd uit.

John stapte eruit in november 1963, vlak voor mijn vierde verjaardag. Een van mijn verste herinneringen. Er kon wel weer eens een wereldoorlog komen zei mijn vader. Maar er kwam geen oorlog. We kwamen het nooit te weten. Ook niet vijf jaar later, met Robert. Misschien dan toch dat ze een geheim hadden, met zijn tweetjes. Wie kan het weten?





vrijdag 1 november 2019

Dou, “Stilleven met globe, luit en boeken”, ca. 1635

Iemand in de ogen kijken en neerschieten is bijna niet te doen. Zoals de meeste mensen direct vegetariër zullen worden zodra ze zelf een koe moeten slachten, zo worden de meeste soldaten gewetensbezwaarden zodra de vijand te dicht bij komt.

Citaat van Rutger Bregman, die ik lees. De meeste mensen deugen.

Sociale psychologie is leuk, maar Bregman is toch wat naïef. Wat hij anderen verwijt doet hij zelf: een beetje te nadrukkelijk naar de conclusie toe redeneren. En alles met de bril van deze tijd, wat sowieso een fout is, als steeds in de sociale psychologie. Mensen stonden anders in het leven, in vroeger tijden. Er was een ander denkraam. Niet eens zo ver weg.

Ik zag een een televisieprogramma, Keuringsdienst van Waren, waarin een jonge verslaggever onderzoek deed naar vissenleed. Jawel. Hij begaf zich op op een vissersboot en interviewde een trotse oude visser. De boot lag boordevol spartelende vissen. Hij vroeg de visser of hij zich wel eens had afgevraagd of die vissen misschien niet te veel leden, zo. De oude man keek zijn interviewer aan of hij het in Keulen hoorde donderen, met open mond. Voor even wist hij niks te zeggen. Zijn leven lang vrolijk gevist, maar die vraag had hij zich nog nooit gesteld. “Maar..., de mensheid... vist al sinds alle tijden”, wierp hij hortend tegen. Het enige juiste antwoord.

Mijn grootmoeder slachtte varkens, soms, met een groot mes. Er moest gegeten worden. Niemand keek daar van op. Nu doen we dat niet meer, al eten we nog vlees als de beste.

Op 6 juni 1944 stormden tienduizenden soldaten de Normandische kust op. Nu krijg je niemand meer zover. Dat heeft niets met kameraadschap te maken, zoals Bregman suggereert. Sartre kwam ertussen en het denkraam begon te schuiven.

Altijd ons denkraam, dat altijd weer wijzigt.

Ik heb geen tijd om een heel boek te schrijven, zoals Bregman. In zo’n kort stukje als dit krijg ik het niet uitgelegd, vrees ik.