Labels

vrijdag 31 mei 2019

Het talent van Breitner en Van Gogh



Van Gogh, “De armen en het geld”, september-oktober 1882, 38 x 57 cm,
krijt, waterverf, pen in inkt, op papiet, Van Gochmuseum, Amsterdam


“Heden trekking staatsloterij”, staat er op de muur geplakt. Vincent van Gogh (1853-1890) schreef aan zijn broer Theo hoe hij het tafereel waarnam op een regenachtige dag in Den Haag en hoe hij getroffen was door de arme stakkers die hun zuurverdiende geld uitgaven aan een lot, aan een droom, die er niet zou komen.

Van Gogh noemde zijn schilderij “De armen en het geld” en schilderde het in het najaar van 1882. In de maanden ervoor had hij contact met George Hendrik Breitner (1857-1923), die op dat moment bekend stond als schilder van armen en behoeftigen. Hij beval Van Gogh sociaal-realistische romans van Zola aan en had een korte periode veel invloed op hem. Samen bezochten ze Haagse volksbuurten om er te schetsen.

Van Goghs “De armen en het geld” is duidelijk geïnspireerd op een schilderij dat Breitner maakte in de periode dat ze elkaar zagen: “De soepuitdeling”. Van Gogh was toen nog duidelijk toen nog de mindere van de (overigens vier jaar jongere) Breitner. Zo schreef hij aan zijn broer Theo: “wat is het moeilijk daar leven en beweging in te krijgen en de figuren op hun plaats en van elkaar af te krijgen“. Je ziet hem nog worstelen. Dit was niet zijn weg.

We weten hoe Van Goghs naam later die van Breitner overvleugelde. Of het iets zegt van hun beider talent is een ander verhaal. Na de grote Van Gogh-tentoonstelling in de Panoramazaal in december 1892, twee jaar na Van Goghs overlijden, schreef Breitner: “Vandaag ben ik op de expositie van Van Gogh geweest. Ik kan het niet helpen, maar ik vind het kunst voor Eskimo’s, ik kan er niet van genieten. Ik vind het eerlijk grof en onhebbelijk, zonder de minste distinctie, en buitendien alles nog een gestolen goedje van Millet en anderen”. Ik was verbaasd toen ik het las. Vandaag de dag mag je zoiets niet meer vinden. Ik ben het er ook niet mee eens. Maar een andere vraag is wie van de twee ik de beter vind. Of wie het meeste talent had.



Breitner, “De soepuitdeling”, voorjaar 1882, 30 x 52 cm, aquarel, Stedelijk Museum


woensdag 29 mei 2019

Vivien in kleur, de kracht van zwartwit


Vivien Leigh, courtesy Klimbim

Vivien Leigh is voor mij de belichaming van de ultieme romantiek van de zwartwit film. Zoals zij zich in de armen van haar tegenspeler kon leggen kon het niemand. “Gone with the Wind” maakte als opgroeiende puber grote indruk op mij, op vrijdagavond op de BRT. Ik weet het nog steeds. Zo moest de liefde zijn, alleen zo. Zo ben ik gevormd in het leven.

De grote dame van de zwartwit film verschijn nu in kleur op het internet, colorized, zoals dat heet. Mooier als ooit tevoren. Alles tekent zich af in haar blik: de passie, het bewust zijn van haar schoonheid, maar ook de dramatiek van haar latere jaren, van ziekte. De mooiste foto die ik in lang heb gezien. Eeuwige schoonheid! Nooit meer vergeten! Breath taking!

dinsdag 28 mei 2019

Abuis


De Vlieger, “Strandgezicht”, 1643

                                                       In Zeeland is de zon nu weg,
                                                       De wind die waait en ruist,
                                                       Laat ik het even ongezegd,
                                                       Voel ik me zwaar abuis,
                                                       Dan voel ik dat ik hier niet hoor,
                                                       Voel ik me hier niet thuis,
                                                       Maar laat ik maar niet klagen nu,
                                                       Straks mag ik weer naar huis.


vrijdag 24 mei 2019

Kühn en Monet
























Ik bekijk de foto’s van Heinrich Kühn, gemaakt zo rond 1910. Ik schreef er gisteren al over. Ze hebben een zeldzame poetische sensibiliteit, die snel pakt. Volgens Claude Monet was “vangen en vastleggen” het ultieme beginsel van het impressionisme. Vasthouden, vergankelijkheid. Ik denk aan de twee portretten die Monet maakte van zijn 24 jaar jongere model en vanaf 1882 tweede vrouw Susanne Hoschedé: “Vrouw met parasol geraaid naar links” en “Vrouw met parasol gedraaid naar rechts”, beide uit 1886. Voor wat het waard is. Nergens kan ik iets vinden over de relatie tussen Kühn en Monet. De bewuste beperking van hun kleurenpalet. Een goede reden om hun werken hier een keertje samen te presenteren. Of wil ik toch vooral weer de foto’s van Kühn laten zien? Die parasolletjes van Monet beginnen een beetje cliché te voelen, met de tijd.

Hoewel...


donderdag 23 mei 2019

Heinrich Kühn en een verdwenen wereld


Heinrich Kühn: “Walter en Edeltrude”, 1912

Heinrich Kühn (1866-1944) was een uitzonderlijk picturalistisch fotograaf. Samen met Hans Watzek en Hugo Henneberg vormde Kühn van 1897 tot 1903 de zogenaamde 'Wiener Kleebatt', onder welke naam ze in heel Europa exposeerden. In 1906 en 1911 werden diverse van zijn foto’s gepubliceerd in  Alfred Stieglitz's beroemde picturalistische fotomagazine ''Camera Work''.

In 1907 liet Stieglitz Kühn kennismaken met de autochrome kleurentechniek, waarbij de plaat werd bedekt met een laag rood, groen en blauw geverfde zetmeelkorrels, met een emulsielaag eroverheen. Nadat de plaat was belicht werd het beeld transparant ontwikkeld. Meer dan honderd jaar later zijn de resultaten nog steeds verbluffend.

Kühn maakte in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog honderden foto’s in en rondom zijn huis in Innsbruck, vaak van zijn kinderen Hans, Walter, Lotte en Edeltrude, en hun Engelse kindermeisje. De natuurlijke spontaniteit in combinatie met de vage contouren, brachten een impressionistische kwaliteit in zijn kleurenfoto’s die zich kan meten met de mooiste impressionistische werken.

Het hierboven getoonde “Walter en Edeltrude” uit 1912 is een prachtig beeld van een broer en zus, schijnbaar diep in gesprek. De intimiteit wordt versterkt door de afgewogen diagonale  compositie. Het kleurgebruik is afgewogen en harmonieus. Het doet soms denken aan Monet. Hij laat een droomwereld achter die ons alleen doet treuren dat ze verdwenen is. In onszelf, in de tijd.







dinsdag 21 mei 2019

De groeven in de grove huid


Vallotton, “Vrouw met zwarte hoed”, 1908


                                                     De tranen in de ogen,
                                                     Het beven van de bruid,
                                                     De woorden als bedrogen,
                                                     Het fluisteren hoort luid.

                                                     De groeven in de grove huid,
                                                     Het scheermes licht gebogen,
                                                     De bruidegom schreeuwt dronken uit,
                                                     Dat alles is gelogen.



maandag 20 mei 2019

Hammershøi, “Ida in een interieur met piano”


Hammershøi, “Ida in een interieur met piano”, 1901, 60 x 55 cm, particuliere collectie


Vilhelm Hammershøi schilderde “Ida in een interieur met piano” in 1901 in de salon van zijn appartement aan de Strangade 30 te Kopenhagen, waar hij van 1898 tot 1901 woonde. Talloze vergelijkbare werken zouden er ontstaan. Genrewerken zonder dat ze iets zeggen over hun huiselijk leven, zonder enig verhaal. Eerder zijn het eerder een soort van stillevens, compositorisch ordelijke schikkingen van elementen in een meesterlijke evocatie van ruimte en licht. Formele werken, ontdaan van sentiment. Wat Ida doet blijft verborgen achter het tafeltje. We zien een piano, maar de ruimte vult zich Niet met geluid. Niemand op de pianostoel. Ik hoor alleen de stilte. Ik zie alleen het licht. Ik voel een diepe rust, zoals ik die ook voel bij de symfonieën van Whistler en de werken van Vermeer, die Hammershøi zo bewonderde. Rust die in het dagelijks leven vaak zo moeilijk gevonden wordt. De enige functie misschien wel van de kunst.


“Interieur met piano en vrouw in het zwart”, 1901


zondag 19 mei 2019

Berthe Morisot, “Femme et enfant au balcon”, 1872 

De lente liet zo lang op zich wachten datti al bijna voorbij is. En toch is het weer groen geworden. Vandaag schijnt de zon. Terwijl ik met mijn vrouw in rustige tred een wandelingetje maak komt ons van rechtsachter een meisje voorbij huppelen, zingend in zichzelf. Even draait ze zich om en roept hallo. Ze is een jaar om zes-zeven, ik weet niet wie het is. Wat is er mooier dan een vrolijk meisje dat je in een voorjaarszonnetje zingend voorbij komt huppelen. Het is niet dat ze haast heeft, of iets lijkt te moeten, maar vooral omdat er zoveel levenslust van uitstraalt, zoveel energie. Ze geeft een rood jasje aan en strikjes in het haar. Ik voel mezelf lopen, in rustige, logge tred. En ineens dringt het voortschrijden der jaren volledig tot me door. Altijd wordt het weer lente, ook al is het wat ongemerkt soms. Altijd wordt het weer lente. Altijd wordt het weer herfst.

zaterdag 18 mei 2019

Breitners modellen, een kijkgat, Geesje Kwak


Breitner: “Meisje in witte kimono”, 1894

Soms struin ik wat over het internet, zoek ik naar iets en stuit dan op een leuke anekdote of een fragment dat me raakt. Zoals gisteren, toen ik zocht naar informatie over Breitner en de zusjes Marie en Lise Jordan:

Breitner tekende altijd graag naar model. Toen hij in 1886 in Amsterdam kwam wonen liet zijn portemennee dat echter niet altijd toe. Modellen waren in die tijd duur en schaars. Daarbij was Breitner ook kritisch. “Ik zou zoo graag eens een damesportret willen schilderen. Onder de modellen is er geen die een mooi gezicht heeft. En onder mijn vrouwelijke kennissen die ’t wel hebben geen een die lust heeft of tijd om te poseeren”. Het tekenen naar de mensen op straat bood een oplossing, maar Op die manier kon hij alleen vluchtige schetsen maken.

In Amsterdam zocht hij vooral naar modellen ‘van het echte ras’: houding en gelaat met een volks uiterlijk of typen uit de volksklasse. Hij huurde zijn vrouwelijke modellen voor f 2,- of f 3,50. Hij kreeg woorden met zijn onderbuurman Isaäc Israëls, in het Witsenhuis, toen deze Breitners modellen aftroggelde. De identiteit en achtergrond van veel van zijn modellen is niet bekend, maar uit de nagelaten negatieven van zijn platencamera blijkt dat ze erg vrij waren en zelfs bereid om lesbische taferelen ten tonele te brengen. Zijn vrouw en eerdere model Marie Jordan, die waarschijnlijk precies wist hoe het ging, vond het gescharrel met al die naakte meiden maar niks. Vanuit het besef dat ze hem in de gaten hield, zorgde Breitner opzettelijk voor een kijkgat in zijn atelierdeur. Dan kon ze het beter zien!

Rond 1893 had Breitner een dusdanige bekendheid dat hij genoeg modellen kon krijgen. Aan zijn vriend en kunstenaar Van der Weele schreef hij: “Ik heb tegenwoordig een zee van modellen. Iedere vrouw die ik op straat aanspreek, vat het nogal goed op. Ik heb nog nooit zoo iets bijgewoond, anders schelden ze me altijd uit.” Van het Jordaanse type, dat misschien niet altijd even aantrekkelijk is, zal de aanwezigheid van karakter niet snel ontkend worden, vond hij. “De zogenaamde burgerij levert geen stof voor mijn kunst. Het karakter dáár is te flauw en geesteloos. Het vertegenwoordigt in artistieke zin geen ras. Mij rest dus geen andere keuze”, zei Breitner. 

De zestienjarige hoedenverkoopster Geesje Kwak was in deze tijd, toen Breitner in de Jordaan was komen wonen, zijn belangrijkste model. Niet het mooiste meisje wat er rondliep, waarschijnlijk. Maar wel naar de gading van Breitner. Hij voelde de bijzondere uitstraling feilloos aan. Een schoolmeisje nog. Authentiek in al haar vezels. Zijn ‘Kimono-meisjes’ behoren nog steeds tot de beste portretten die de Nederlandse schilderkunst na de Gouden Eeuw heeft opgeleverd.

(vrij naar een masterthesis van Helewise Berger, 2008)


Geesje Kwak in kimono, 1893.
Twee jaar later emigreerde ze naar Zuid-Afrika,
waar ze op 22-jarige leeftijd overleed aan tbc.

vrijdag 17 mei 2019

Breitner, “Marie Jordan naakt op de rug gezien”


Breitner, “Marie Jordan naakt op de rug gezien”,
ca. 1889,  99 x 89 cm, daglichtgelatinedruk, Rijksmuseum

Kleermakersdochter Marie Jordan (1866-1948) en haar elf jaar jongere zus Lise (1877-1919) waren twee Amsterdamse volksmeisjes. Toen fotograaf-kunstschilder George Hendrik Breitner (1857-1923) in 1886 in Amsterdam kwam wonen werden ze - eerst Marie en niet veel later ook Lise - zijn dienstertjes en al snel ook zijn belangrijkste modellen. Ongegeneerd liepen ze door zijn woning, gekleed en ongekleed, en als een ware voyeur maakte hij voortdurend foto’s van de meisjes die hij later soms gebruikte voor zijn schilderijen. Geen wonder dat ze ook al snel zijn minnaressen werden. In 1901, toen hij 44 was, trouwde hij met Marie.

De foto’s die Breitner maakte van de zusjes Jordan hebben een bijzondere intimiteit. Bovenstaande foto van Marie sprint er echter uit, voor mij althans. Een prachtige naakte vrouw, in de slaapkamer, bij het toilet of voor het baden: een klassiek, eeuwenoud thema in de kunst. Gefotografeerd van op de rug en waant ze zich blijkbaar onbespied, hetgeen een bijzondere erotische spanning geeft. Op de achtergrond zien we een door Breitner gemaakte kopie van Rembrandts De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp, die ik ook op een andere foto van Marie weer tegenkwam.

Ik herken wel wat van Breitner, geloof ik. Dat merk ik als ik naar zijn foto’s kijk. Dat voel je bij zijn schilderijen. Ik ben alleen geen kunstenaar, in elk geval nooit geworden. Dus gedraag ik me maar een beetje. Een beetje veel. En af en toe kijk ik naar Breitner, naar zijn werken. Zo had ik als kunstenaar willen leven, toentertijd.






woensdag 15 mei 2019

Overleven



                      Soms heb ik weinig toe te voegen.

                     “Hoe was je dag vandaag?” vraagt Poeh.
                     “Een drukke dag” zeg ik, “ik ben moe”.
                     “Als je moe bent kun je lekker slapen”, zegt Poeh, “Het is fijn om lekker te slapen”.
                     “Da’s waar”, zeg ik, “Ik ga slapen”.

                     Alleen zo kun je overleven.


dinsdag 14 mei 2019

Naar de rennen, Ascot


Onbekende fotograaf, “Naar de rennen, Ascot”, 1930

De paardenrennen in Ascot zijn al eeuwenlang een begrip in het Verenigd Koninkrijk. Ze symboliseren nog steeds de oude grandeur van het Britse Koninkrijk in glamour en grandeur. In juni vindt er de Royal Ascot plaats, een vijfdaags paardenevenement waarbij ook de Engelse koningin aanwezig is. Zien en gezien worden is er belangrijker dar de races zelf. Vooral de dames doen hun best, wat geven de dames nu om paardenrennen?

Ik beland op een website over de historie van de Ascot-races en stuit op bovenstaande foto. Een stoet bezoekers loopt door een weiland vanaf het treinstation naar de Royal Enclosure van Ascot Heath, bij Windsor. Het hek is uitnodigend geopend en alles beweegt zich uiterst geordend, op en top Engels. Er wordt en mooie dag verwacht. Het gebladerte omlijst organisch als in een nostalgisch schilderij. Ineens voel ik dat het voorbij is, hoe lang het ook nog doorgaat. Alles gaat voorbij. En dat is jammer. We kunnen alleen maar terugkijken, zolang we er nog zijn.


maandag 13 mei 2019

Niet pluis


Van Honthorst, “Vrouw met een medaillon”, 1625 

Armando schreef dat schoonheid is niet pluis was. “Dan moet ik altijd denken aan een vrouw die in een concentratiekamp had gezeten en in een koor kerstliedjes moest zingen. Ze vertelde dat er één stem was die er bovenuit kwam: die van een heel beruchte bewaakster. Dus böse Menschen haben keine Lieder: dat is niet waar."

Ik heb Armando niet in mijn lijstje gezet, van toen beste Nederlandstalige boeken. Niet alles is even mooi, maar hij heeft wel hele mooie stukjes geschreven. In een mooie toon, die de mijne zou kunnen zijn. Als je maar genoeg schrijft. Dat doe ik ook geloof ik. Zonder pretentie.

Maar dat schoonheid niet pluis is zou ik zelf niet durven stellen. Schoonheid verbindt, door goed en door kwaad, zoals goed en kwaad zich in alles vermengd. Dat is mijn inzicht. Maar ik ben dan ook van na de oorlog.

zondag 12 mei 2019

De 10 beste Nederlandstalige romans in mijn ogen

Ekels, “Een schrijver die zijn pen versnijdt”, 1784

Omdat ik van lijstjes hou. De 10 beste Nederlandstalige romans in mijn ogen:

- Nescio: Verzameld werk,
  Buiten categorie, alles, enig qua toon, uniek ook in de wereldliteratuur.

- Mulisch, De ontdekking van de hemel,
  Ondanks een wat bedacht slot dat er niet helemaal uitkomt.

- Mulisch, Siegfried,
  Omdat er eentje toch twee keer in mijn lijstje moet staan. Er hadden er nog wel meer gekund.

- Hermans, De donkere kamer van Damocles,
  Vanwege een spanningsboog die ontbreekt in zijn andere werk. Zijn korte verhalen zijn beter.

- Elschot, Kaas,
  Omdat in iedereen weel een beetje Frans Laarmans schuilt.

- Voskuil, Het bureau,
  Om te laten zien dat elk leven spannend kan zijn in zichzelf. Helemaal uitgelezen, met alles er omheen.

- Couperus, Eline Vere,
  Net als De kleine zielen, vergelijkbaar met Flaubert, Tolstoj, nou ja vooruit, toch bijna dan.

- Van Schendel, Een zwerver verliefd,
  Als eerste literaire liefde, die ik als romanticus nooit meer kan verloochenen.

- Karel van Reve, Verzameld Werk,
  Omdat ik hem weer las na het proberen van zijn broer en weer wist waarom ik hem bewonder.

- Multatuli, Max Havelaar,
  Als laatste dan maar, omdat ook ik er niet omheen kan. Maar die ik niet meer ga herlezen.

Een redelijk klassiek overzicht. Het is niet anders. De tijd zeeft blijkbaar goed uit. Weinig hedendaagse literatuur, waar ik ook ook minder in belezen ben, moet ik zeggen. Goede literatuur heeft tijd nodig. Moet even liggen. Net als Kaas.

zaterdag 11 mei 2019

Leuk u te ontmoeten


Sargent, “Nonchaloir”, 1911

Ik zag een televisieprogramma over D-Day, met Philip Freriks. Soldaten die bij duizenden het strand op gestuurd werden terwijl het mitrailleurvuur langs alle kanten op hen af kwam. Van de eerste lichtingen sneuvelde meer als negentig procent, op sommige stranden. Daar krijg je tegenwoordig niemand meer toe bewogen. Het existentialisme heeft zijn werk wel gedaan.

Bij de verhalen over D-Day moet ik altijd denken aan J.D. Salinger, die op Utah-Beach werd gedropt en overleefde. En dan denk ik aan zijn verhalen, “A Perfect Day for Bananafish”, het mooiste verhaal ooit, waarin zonder het te zeggen een uniek beeld wordt gegeven van de verdrukte trauma’s. Ik word weer een beetje verdrietig als ik eraan denk, alsof ik het herken, maar bijna was vergeten.

Ik heb Salinger diep van binnen altijd herkend. Toen ik zestien was las ik “The Catcher in the Rye”. Ook Holden Caulfield was zestien. We voelden beide eenzelfde weerspannigheid en aversie tegen compromissen, die later noodzakelijk zullen blijken. “Ik zeg altijd 'Leuk u te ontmoeten' tegen mensen, terwijl ik dat helemaal niet leuk vind” zei Holden, “Maar als je wilt overleven moet je dat soort dingen wel zeggen”. Ik voel het nog steeds hetzelfde. En nog altijd zeg ik “Leuk u te ontmoeten, aangenaam kennis te maken”. Ik kan niet anders.

vrijdag 10 mei 2019

Whistler, “Note in rose and silver”, 1884

Op een gegeven moment ga je snappen dat je niet moet schrijven wat je weet. Wat weet ik eigenlijk? Wat weet ik meer dan wie ook anders? Iedereen weet dingen maar daar gaat het niet om. Waar het om gaat beweegt zich weg van het weten, in de schemer richting begrijpen. Het onbenoemde inzicht, dat ik hier niet weet te schrijven, dat ik hoor in het ruisen van de wind, een vluchtige blik van een vreemde, een seintje, denk ik soms, maar ik weet nooit van wie. Het laat zich niet kennen, niet weten, niet schrijven, maar het is er wel. Soms voel ik het, om vervolgens te vergeten. Uiteindelijk wordt alles vergeten. En niemand zal weten hoe het zit. Niet nu, niet later.

donderdag 9 mei 2019

Zebio


Eusebio, “zwarte parel”, 1966

Ik woonde als kind in een klein dorp. Er was een oude filmzaal die nog maar sporadisch werd gebruikt. Toen ik een jaar of 6-7 was ging ik er met mijn vader naar een film over het WK van 1966. Meer als een halve eeuw geleden. Mijn vader was altijd enthousiast over voetbal. Uitbundig roemde hij Eusebio, die sterspeler was op het tournooi. Ik nam dat over en noemde mij tijdens de voetbalpartijtjes Zebio. Niemand van mijn vriendjes die wist wie het was.

De eerste wedstrijd waarbij ik s’avonds laat mocht opblijven was de finale Europa Cup I tussen Feijenoord en Celtic. Met de halve finale moest ik nog naar bed en bad tot onze lieve heer voor een goede afloop. Het hielp, ze wonnen. Lucas Moussa zei gisteren, na de wedstrijd tegen Ajax, dat hij de overwinning van Tottenham beschouwde als een geschenk van God. De Ajax spelers zullen wel iets verkeerd hebben gedaan. God bemoeit zich overal mee.

De emotie van voetbal is onverklaarbaar. Ik heb vandaag best een beetje een rotdag gehad. Ajax had verloren, halve finale Championsleague, laatste minuut. Ik herinner me het verloren WK in 1974, toen ik veertien was, toen liep ik tien minuten voor tijd de kamer uit, naar buiten. In 2000 veerde mijn vader voor een laatste keer omhoog van zijn ziekbed bij een goal van PSV tegen Manchester United, Matea Kezman. Het gevoel zit diep en ik laat het maar gebeuren. Het is goed dat het gebeurd, emotie is goed, zelfs als je verliest. Dan weet je dat je leeft. Mensen die niet van voetbal houden zullen het wel nooit echt begrijpen, moeten zich eigenlijk maar een beetje stil houden, op een trieste dag als deze.

zondag 5 mei 2019

Dick Ket, “Stilleven met viool en witte vaas“


Dick Ket, Stilleven met viool en witte vaas, , 80,1 x 61 cm,
Centraal Museum Utrecht


Kunstschilder Dick Ket leed aan een ernstige hartziekte, waarschijnlijk Fallot-tetralogie, waardoor hij vanaf eind jaren twintig gekluisterd was aan zijn huis in Bennekom. Allengs ontwikkelde hij ook nog Agorafobie, waardoor hij op een gegeven moment helemaal de deur niet meer uitkwam. In deze besloten wereld schilderde hij vanaf 1930, tot aan zijn dood tien jaar later, vrijwel uitsluitend nog stillevens en portretten, vooral zelfportretten.

Ket geloofde in twee tegengestelde werelden die elkaar in balans hielden, de wereld van het “zijn” tegenover die van het “niet-zijn”. In alle verschijnselen, dingen en feiten zag Ket de strijd en verhouding tussen het materiële en geestelijke deel van het leven. Zijn koele, objectieve benadering staat in dienst van het idee dat ook aan dode voorwerpen in bezieling toegedicht kan worden. 

In een brief uit 1932 aan zijn verloofde Nel Schilt schreef hij:
"…dat er meer is tussen Hemel en Aarde, ik denk hieraan zo dikwijls als ik stilleven schilder. Juist in deze dode dingen voel ik de aanwezigheid van het alomvertegenwoordige en ik betrap me erop, dat ik met liefde over deze dode voorwerpen kan denken en ze behandelen"
In Stilleven met viool en witte vaas wordt duidelijk dat het Ket niet zozeer gaat om een realistische weergave van de diverse voorwerpen, maar door een aantal perspectivistische vertekeningen en de streng geometrische ordening, creëert hij een illusionair karakter. Bij nadere beschouwing blijken de diverse objecten niet vanuit één punt gezien. Zo zijn de opening en de voet van de vaas ongeveer in vogelvlucht getekend, net als de boeken en paperassen op tafel, maar het is onlogisch dat we ook nog zoveel van de zijkant van de vaas zien. Het werk doet denken aan de abstracte collagewerken van het Parijse clubje Picasso, Gris en Braque in de periode kort voor de Eerste Wereldoorlog, hoewel het twijfelachtig is of Ket hun werken ooit heeft gezien. Maar ja, vanuit een klein huisje in Bennekom verover je de wereld niet. Maar dat kan ook niet zijn bedoeling zijn geweest, zeker niet als je de straat al niet op durft.

Zelfportret, 1932, Boijmans Van Beuningen.
Duidelijk zichtbaar is de “Voussure cardiaque”, waarbij de ribben
als het ware naar voren worden gedrukt door het hart.
Ook zien we perspectivistische vervorming.

zaterdag 4 mei 2019

Edgar Fernhout, “Dubbelportret”


Edgar Fernhout, “Dubbelportret”, 1932
100 x 63 cm, Centraal Museum Utrecht

Edgar Fernhout was een zoon van kunstenares Charley Toorop en filosoof Henk Fernhout. Schilder Jan Toorop was zijn grootvader. Vader Henk verliet het gezin in 1917. In 1926 verhuisde moeder Charlie met de kinderen naar Amsterdam, waar korte tijd later de anarchist Arthur Lehning bij haar introk, op de Leidsegracht. Het huis werd al snel een ontmoetingsplaats van avant-gardistische kunstenaars, onder wie de architect Gerrit Rietveld, de cineast Joris Ivens en de schilder Carel Willink. Edgar kwam zo al jong in contact met de moderne kunst van die jaren. Op zijn zestiende jaar begon hij zelf te schilderen. Hij was vroeg-volwassen en ontwikklde zich razendsnel. Het mooie dubbelportret hierboven schilderde hij amper twintig jaar was.

Fernhout portretteert zichzelf met zijn zeven jaar oudere vriendin Rachel Pellekaan, die eveneens schilderes was. Beiden hebben ze een palet vast, als symbool voor hun professie. Beide kijken gespannen, met een sterke focus. Fernhout zelf ziet zichzelf onderzoekend in de ogen. Bij de confrontatie die hij zoekt lijkt hij zich te verbergen achter Pellekaan. Pellekaan lijkt zich daarentegen juist af te wenden en kijkt bruusk de andere kant op. In alles herken ik het bedeesde, terughoudende karakter van Fernhout, die altijd alle moeite moest doen om aan de dominante greep van zijn moeder te ontsnappen. Zijn moeder steunde hem, hielp hem ook vooruit met zijn carrière, maar het belemmerde hem in zijn ontwikkeling. Pas na haar dood in 1955 voelde hij zich bevrijd en verruilde hij het strakke realisme voor een vrije en semi-abstracte stijl. Hij was inmiddels ruim over de veertig.


Eva Besnyö, “Joodse bruiloft”, 1934,
Edgar en Rachel Fernhout-Pelikaan


donderdag 2 mei 2019

Madonna en de late bewondering


Michael McDonell, “Madonna”, 1979

Madonna Louise Ciccone werd in 1958 geboren in het vergeten stadje Bay City te Michigan. Als kind reeds voelde ze dat ze bijzonder was, voorbestemd om grootse dingen te doen. Ze kon buitengewoon goed leren maar was vooral rebels, tegendraads, en koos er na de middelbare school voor een dansopleiding te gaan doen. Ze koos haar eigen weg. Met een beurs van het Alvin Alley Dance Theatre ging ze in 1978 naar New York. Een jaar later mocht ze naar Parijs, om er te dansen in revues, clips en gezelschappen. Uit deze periode, kort voor haar vertrek, dateren de hier getoonde foto’s.

Je ziet meteen het exceptionele van ster in spé, ruim nog voor ze bekend werd. Ze is vol levenslust en straalt vooral geloof uit: ik ga naar Parijs, het gaat lukken. In de periode dat ze bekend werd heb ik nooit ook maar een beetje om Madonna gemaald, niet alleen omdat ik te oud was, en een man, maar vooral omdat ik ze zag als commercieel product. Ik vond ze niet eens mooi. Pas later ging ik haar bijzondere uitstraling zien, toen ze al over de vijftig was. How can it be! Die uitstraling was er ook al toen ze pas twintig was. Natuurlijk. Michael McDonnell zag het, was meteen van haar onder de indruk. McDonnell zag het scherper dan ik. Soms hebben de dingen bij mij wat tijd nodig. En wat meer geloof. Ik ben geen Madonna, kan alleen maar bewonderend kijken.



woensdag 1 mei 2019

Weten altijd hoe het zit


Bakker-Korf, “Onder de palmen”, 1880


                                                     Ik ken zo wat mensen,
                                                     Die hebben alles op de rit,
                                                     Alles op een rijtje,
                                                     Weten altijd hoe het zit.

                                                     Ze weten meteen hoe die is en die,
                                                     Als je eventjes maar met ze praat,
                                                     Ze weten wie achting verdient en wie niet,
                                                     Ze weten wie goed zijn of kwaad.

                                                     Ze weten ook veel, van alles en nog wat,
                                                     Eigenlijk alles, over alles wat er is,
                                                     Zo zeker, en zo zonder twijfel,
                                                     En dat ik mij altijd vergis.

                                                     Soms denk ik, heel even,
                                                     Was ik ook maar als hen,
                                                     Maar gelukkig denk ik snel dan,
                                                     Laat ik maar blijven wie ik ben.