Labels

Posts tonen met het label Boek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boek. Alle posts tonen

maandag 27 juli 2026

Het meisje of de vaas

 
Henryk Siemiradzki, “Het meisje of de vaas”, 99 x 156 cm, 1878, olieverf op linnen, privé collectie.

Wat een meevaller! Dacht Lara. Zo lang ze van de rest van de stad afgesneden waren, zou ze Komarovski niet zien! Vanwege haar moeder kon ze het niet met hem uitmaken. Ze kon niet zeggen: mama, je moet Komarovski niet ontvangen. Dan zou àlles uitkomen . Maar wat dan nog? Waarom zou ze dar zo bang voor zijn? Ach mijn hemel, ze konden allemaal barsten, als het maar afgelopen was. God, oh God, oh God! Zo dadelijk viel ze nog midden in de straat flauw van walging. Wat was haar zojuist te binnen geschoten?! Hoe heette dat verschrikkelijke schilderij ook weer met die dikke Romein in die eerste chambre séparée, waar het allemaal was begonnen? ‘De vrouw of de vaas’. Ach ja. Natuurlijk. Een bekend schilderij. ‘De vrouw of de vaas’. En ze was toen nog geen vrouw geweest, die zich met zo’n juweel kon vergelijken. Dat kwam later. De tafel was rijk geserveerd geweest.

Lara was zestien. De oudere advocaat Komarovski was aanvankelijk de beschermheer van haar moeder maar onderweg naar haar volwassenheid verplaatste hij zijn aandacht naar de zich prachtig ontwikkelende Lara, om haar te vangen in zijn web, zonder zich te bekommeren over wat het met haar deed.

De passage verwijst naar een werk van de Poolse kunstschilder Henryk Siemiradzki. (1843-1902). Het toont een zelfvoldane Romeinse patriciër die een koopman op bezoek heeft en moet kiezen tussen een vaas en een hem aangeboden mooie slavin. Het hing in de kamer waar de tragische verstrengeling tussen Lara en Komarovski begonnen is. De keuze tussen de levenloze vaas en de kwetsbare menselijkheid van de slavin. Alsof het niet uitmaakt. Net als de slavin op het schilderij wordt Lara door Komarovsky gereduceerd tot een 'bezit', een luxe object. Het schilderij weerspiegelt de cynische, patriarchale wereld waarin de onschuld van een vrouw een verhandelbaar product is geworden, iets wat in het tsaristische Rusland in hogere kringen nog aan de orde van de dag was. Het raakt ook aan een centraal thema van Dokter Zjivago, waarin Pasternak worstelt met de vraag hoe kunst en poëzie zich verhoudt tot de rauwe, destructieve realiteit van de Russische Revolutie en de individuele menselijke emoties.

Eén vraag die ik mezelf ook zou kunnen stellen, van mijn eilandje naar het leven, en weer terug.

Een mooie symboliek. In mijn hart blijf ik communist.

zondag 26 juli 2026

Voorbij het riviertje

 
Paul Chocarne-Moreau, “Blik over de Seine”, 1884

Op een keer had ze een droom. Ze lag onder de grond, al wat van haar restte waren haar linkerzijde en schouder en haar rechtervoet. Uit haar linkertepel groeide een pluk gras, en boven de grond werd gezongen. ‘Zwarte ogen en blanke borst’ en ‘Masja mag niet voorbij het riviertje komen’.

Ik doe niks als herlezen de laatste tijd. Ik herlees Dokter Zjivago.

Toen ik pas getrouwd was keek ik met mijn vrouw naar de film, met Omar Sharif als Zjivago. De hele film hoopte ik dat hij Lara zou krijgen. Na afloop begreep ik dat mijn vrouw steeds hoopte dat hij bij Tonja zou blijven. En zo begreep ik steeds beter dat iedereen een andere bril heeft.

Het boek vraagt steeds weer een andere bril en leest als een gedicht.

‘Masja mag niet voorbij het riviertje komen’.

woensdag 22 juli 2026

Trage lezer

 


Ik schuif richting mijn pensioen en verheug me nu al op de zee aan vrije tijd die ik ga krijgen, niettegenstaande dat ik twee dagen per week blijf werken. Ik verheugd me vooral op de hoeveelheid leestijd en op de dikke boeken waar ik nu eindelijk tijd voor ga krijgen. Ik heb Prousts “Op zoek naar de verleden tijd” verworven in een gebonden uitgave waar ik eerder nier verder ben gekomen dan deel 1, afgelopen week schafte ik de zeven delen van Voskuils ‘Het bureau” aan, die ik al bezit en zo’n vijftien zestien jaar geleden samen met de voorafgaande werken heb gelezen. Zevenduizend bladzijden, meer als een half jaar heb ik erover gedaan. Nu ga ik meer tijd krijgen.

Ik ben een trage lezer en ik houd van dikke boeken. Dat is een moeilijke combinatie als je fulltime werkt, en ook nog een ander leven hebt. Maar een geschikte voor het pensioen.

Ik ben een trage lezer. Voor schrijvers die traag schrijven een dankbare lezer. De enige juiste manier. Soms is het leven tekort, een gedachte die pas bij me op kwam bij het wat herschikken van mijn bibliotheek. Er is teveel om te lezen, steeds meer om te herlezen. Ik ga het niet redden denk ik maar ben blij met wat ik mij kan pikken.

In dat soort gedachten zoek ik troost.

maandag 20 juli 2026

Kuifje in Afrika

 


Bij wat opruimen op zolder, omdat er plaats gemaakt moet worden ussen mijn boeken, stuit ik op mijn volledige verzameling Kuifjes. Ik heb ze nooit weg willen doen.

Ik blader wat in ‘Kuifje in Afrika’, bijna honderd jaar geleden voor het eerst gepubliceerd.

Er is veel veranderd. ‘Kuifje in Afrika’ kan al lang niet meer. Ik zie dat, snap dat, weet dat, en tegelijkertijd blijf ik het jongetje dat op mijn tiende bij ome Walter en tante Truda Kuifjes mee naar huis kreeg. De vreugden uit mijn kinderleven.

Ik weet niet of het er allemaal beter op geworden is. Er is nog veel niet oké in Afrika. In de hele wereld trouwens. Maar ik ga dat niet meer verbeteren.

En zo berg ik mijn Kuifjes weer op.





donderdag 11 juni 2026

Schemer en roodgloed


Paul Cézanne, “Blauw landschap”, 1904-1906


In de schemer en roodgloed van de ondergaande zon
Zie je de essentie
Vormt zich een beeld
Een gevoel
Het levenslot
Krijt je hart
En zie je het voorbij geluk
D onomkeerbaarheid van alle gemiste kansen
De bittere smaak van je fouten
De eeuwige troost van de hoop
De droom die verdwijnt met de zon aan de brandende kim.

Ik heb Leven en Lot uit, voor de tweede keer. Twee maanden lezen. Ik voel me een wijzer mens.

donderdag 4 juni 2026

Weg van de minste weerstand

 


Lieke Marsman is dood.

Té mooi, moet God gedacht hebben.

Wat klein begint is altijd bepalend. Niets blijkt onbeduidend.

Kleine dingen maken de pieken en de dalen. De schoonheid en de pijn.

Een verklaring voor het gebrek aan schoonheid 
in deze wereld is dat de weg van de minste weerstand
in de praktijk soms de enige draaglijke is.

Dat dichtte Lieke. 
Iets om over na te denken. Daar was ze filosofe voor. 
En dichteres.

Soms mag ik mezelf herhalen, zeg ik tegen mezelf, vandaag mag dat. 

Ik heb haar nooit gekend.

dinsdag 26 mei 2026

Oerdrift

 
Rembrandt, “Pallas Athene” (Titus), 1855

Nog eens Vasili Grosmann, over ommekeer bij Stalingrad, keerpunt in de geschiedenis:

Het idee om de Duitsers bij Stalingrad te omsingelen wordt beschouwd als geniaal. De geheime troepenconcentratie aan de flanken van het leger van Paulus greep terug op een principe ontstaan in de tijd dat blootsvoetse mannen metbteruhwijkende voorhoofden en vooruitstekende kaken door hetbstruikgewas slopen en grotten omsingelden die werden bezet door nieuwkomers in het bos. Wat is verbazingwekkender: het verschil tussen de knots en het langeafstandgeschut, of de duizendjarige onveranderlijkheid van het principe van de oude en de nieuwe wapens?

Genialiteit hoort bij een doorbraak, houdt zich bezig met de kern, zet bestaande inzichten op zijn kop. Ik zie zelden nog genialiteit en al helemaal niet bij de mensen die ons zouden moeten leiden. Ik zie overal oermensen. Misschien ook wel bij mezelf. Ook ik heb de wereld nog niet kunnen verbazen. Hooguit een enkeling, in therapie. Daar doe ik het maar mee in dit leven.

vrijdag 22 mei 2026

Aandrang tot schrijven

 


“Bomans is een groot schrijver. Je mag het alleen niet zeggen”, schreef Simon Carmiggelt.

Ik lees dat in het voorwoord van Joost Prinsen bij een bundeltje essays van Bomans, door Prinsen hoogstpersoonlijk samengesteld. Prachtig gebonden, met leeslint. Ik kocht het voor 5,50, hetgeen aangeeft dat er nog niet veel lijkt veranderd. Boeken van Bomans hoeven nog steeds niks te kosten, voor wie een beetje op internet zoekt. Die van Carmiggelt trouwens ook niet.

Over het schrijven zei Bomans: “Wantrouw elke aandrang tot schrijven, behalve de vreugde van het formuleren.” En wat verder: “de beloning van het schrijven zit hem niet zozeer in de beloning van de uitgever (want die is te verwaarlozen), maar in de enorme voldoening die u hebt als u, na lang zoeken, dat wat u wilt zeggen, geformuleerd hebt, zodat de huid van het woord strak om het begrip zit.” Dat is iets wat ik herken en wat misschien wel aan de basis ligt van mijn eigen aandrang tot schrijven.

Prinsen liet zijn bundeltje met Bomans essays verschijnen in 2021. Hij was er jaren mee bezig geweest. Nu is ook hij dood en lijkt er niemand meer over om het voor Bomans op te nemen. Laat ík het dan maar een beetje doen. Misschien moet ik ook maar weer eens een paar van zijn sprookjes herlezen, die ik rond mijn twintigste niet vond onderdoen voor Hans Christiaan Andersen. Dat lijkt me een mooi compliment.

dinsdag 5 mei 2026

Verzonken keuzes

 
Antoine Bourdelle, “Vrouw aan het venster”, ca 1900

Nog een oortje uit ‘Leven en Lot’, omdat het 5 mei is, en iedereen de wereld weer verdeeld in goed en kwaad. Omdat de Sjoa nooit treffender is beschreven. Vanuit nabijheid en afstand. Over Sturmbahnführer Kaltluft, commandant van een Sondercommando in Auschwitz.

Vroeger woonde hij op de boerderij van zijn ouders en dacht dat hij daar zijn leven zou doorbrengen; hij hield van de rust van het dorp en schuwde het werk niet. Hij droomde van het uitbreiden van zijn vaders bedrijf, maar kon zich niet voorstellen dat hij ooit, hij groot de opbrengsten uit de varkensfokkerij en de handel in koolrapen en tarwe ook waren, hetbrustige, behaaglijke ouderlijk huis zou verlaten. Maar het leven liep anders. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog was hij naar het front gestuurd en daarna was hij de weg gegaan die het lot voor hem had uitgezet. Het lot bleek bepaald te hebben dat hij zijn dorp verliet voor het leger, de loopgraven voor de wacht bij het hoofdkwartier, de administratieve dienst voor een post als adjudant en het apparaat van het Reichssicherheitshauprambt voor de kampadministratie, om tenslotte te worden benoemd tot een Sondercommando in een vernietigingskamp.
Als Kaltluft verantwoording had moeten afleggen voor het hemelse gerecht, zou hij ter rechtvaardiging van zijn ziel naar waarheid hebben verteld hoe het lot hem had gedwongen een beul te worden die vijfhonderdnegentigduizend mensen had vermoord. Wat kon hij beginnen tegen zulke machtige krachten - de wereldoorlog, de ontzaglijke nationalistische beweging, de onverbiddelijke partij, de pressie van de staat? Wie had er tegen de stroom op kunnen zwemmen? Hij was maar een mens, hij was het liefst in het huis van zijn vader blijven wonen. Hij was niet zelf vertrokken, hij was geduwd, het lot had hem als een kleinduimpje bij de hand genomen. En in die termen, of in ongeveer die termen, zouden ook degenen die onder Kaltlufts bevel hadden gestaan en degenen die Kaltluft hadden bevolen, zichzelf gerechtvaardigd hebben voor God.
Maar Kaltluft hoefde zijn ziel niet te rechtvaardigen voor het hemelse gerecht. En daarom hoefde God hem niet te bevestigen dat er geen schuldigen zijn op de wereld.

Het is een conclusie die ik ik mijn werk elke dag weer trek, vanuit nabijheid. Niemand is schuldig. Of anders iedereen. De ene zondaar oordeelt over de andere, zo steekt dit leven in elkaar. Maar het lot is onafwendbaar. De scheidslijn tussen goed en kwaad loopt dwars door de harten van ons mensen. En het lot bepaalt of het meer naar de ene kant dan wel naar andere kant zal schuiven.

Als God probeer ik te kijken naar de mensen, zonder oordeel, met mededogen, vanuit afstand, gedwongen door mijn eigen lot, waarin al mijn keuzes verzinken.

zondag 3 mei 2026

Eén keuze

 
Chaim Soutine, “Capucijnerklooster in Céret”, ca. 1920

Nog maar iets uit Grossman’s “Leven en Lot”. Af en toe loop ik een oortje af. Alles zit erin. Met zo’n boek krijg ik mijn blog wel gevuld.

Over de Russisch-Oekraïense soldaat Chmelkov die als helper in Auschwitz terecht komt. Hij kijkt naar zijn collega helper Zjoetsjenko, die naast hem ligt op zijn brits:

Zjoetsjenko’s handen met de lange dikke vingers die de hermetisch sluitende deuren van de gaskamers dichtdeden, leken altijd vuil te zijn, en het was onprettig brood te pakken uit dezelfde mand als hij. Zjoetjsjenko was gelukkig en opgewonden als hij ‘s ochtends ging werken en terwijl hij stond te wachten op de stoet mensen die kwam aanlopen vanaf het spoor. <…>

Hij kijkt naar zichzelf:

Op een dag in juli 1941 was hij krijgsgevangen gemaakt. Hij was met een geweerkolf op zijn nek en zijn hoofd geslagen, hij had bloedige dysenterie opgelopen, hij was op kapotte laarzen door de sneeuw gejaagd, hij had water met bellen stookolie erin te drinken gekregen, hij had met zijn handen hompen stinkend zwart vlees van een paardenkadaver gescheurd, hij had rotte koolrapen en aardappelschillen gegeten. Hij had maar één keuze gemaakt: hij wilde leven, meer niet. Hij had zich aan tientallen doden ontworsteld, hij wilde niet sterven van honger, kou of bloedige diarree, hij wilde niet neervallen met negen gram metaal in zijn kop, hij wilde niet opzwellen tot zijn hart werd gesmoord in het water dat opsteeg uit zijn benen, hij was een kapper uit de stad Kertsj en niemand had ooit slecht over hem gedacht: noch zijn ouders, noch de buren op het erf, noch zijn bazen op het werk, noch de vrienden met wie hij wijn dronk, gerookte harder at en domino speelde. Maar soms kwam het verschil tussen hen hem volstrekt onbeduidend voor. Wat maakt het voor God uit of voor de mensen met wat voor gevoel ze naar hun werk gingen? De een was vrolijk, de ander niet, maar ze deden hetzelfde werk.

Grossman besluit:

Hij begreep niet dat Zjoetsjenko hem schrik aanjoeg niet omdat hij schuldiger was dan hijzelf, maar omdat diens verschrikkelijke monsterlijke natuur hem verontschuldigde. Terwijl Chmelkov geen monster was, hij was een mens. Hij was er zich vaag van bewust dat een mens die mens wilde blijven onder het facisme een eenvoudigere keuze had dan het redden van zijn leven: de dood.

En dat heeft niks met moralisme te maken.

donderdag 16 april 2026

Het goede

 
Picasso, “Blauw naakt”, 1902

De meeste mensen op aarde doen nooit een poging “het goede” te definiëren. Wat is het goede? Goed voor wie? Bestaat er een algemeen concept van het goede, toepasbaar op alle mensen, alle volkeren, alle levensomstandigheden? Of bestaat het goede voor mij in het kwade voor jou, het goede voor jouw volk in het kwade voor mijn volk? Is het goede eeuwig en onveranderlijk? Of is wat gisteren goed was vandaag slecht en is het kwaad van gisteren het goede van vandaag?

Vasili Grossman geeft in ‘Leven en lot’ een hoofdstuk-lange beschouwing over de notie van goed en kwaad. Maar de huidige wereldleiders lezen zulke boeken niet. En daarom zal er nooit iets veranderen. Grossman ziet alleen goedheid in alledaagse handelingen. De oude vrouw die een krijgsgevangene een stuk brood brengt. De goedheid van een soldaat die een gewonde vijand uit zijn velerlei laat drinken. De goedheid van een boer die een Jood op zolder verstopt.

Ik heb een mooi vak, denk ik dan. Ik probeer mensen te helpen. Omdat ik niet anders kan, en zonder dat me dat een goed mens maakt. De wereld ga ik niet meer veranderen.

vrijdag 3 april 2026

Filosofie van de verte

  
Henri Matisse, “De drie zussen”, 1917

Pirandello voert in een van zijn verhalen ene dokte Fileno op, die een methode had gevonden om het leed van de hele mensheid voor altijd te verlichten. De methode bestond eruit dat je van ‘-morgens vroeg to ‘s-avonds laat geschiedenisboeken moest lezen en ook het heden in de geschiedenis plaatste, ver terug in de tijd. Hij positioneerde zich als het ware in de toekomst om van daaruit naar het heden te kijken, dat hij daarmee bezag als iets wat al voorbij was. Filosofie van de verte, moest het heten.

Tegelijkertijd zoekt hij naar onsterfelijkheid en wil hij een personage worden in een boek van Pirandello. Personages in grote boeken zijn als enige onsterfelijk. Sancho Panza, Hamlet, Anna Karenina, Madame Bovary. Maar Pirandello wijst hem af. En ik denk terecht. Je kunt het verleden naar je hand zetten, vervormen, afstand nemen als je wil, maar je kunt het leed niet overslaan. Voor iedereen een gifbeker. Iedereen dealt ermee op eigen wijze. Geen personage die eraan ontkomt.

zaterdag 21 maart 2026

Verzamelaars

 


Maar voor ons betekent het dat we achterblijven met drie schitterende verhalen die ons onherstelbaar en onuitwisbaar hebben geraakt. Misschien ook een beetje verblind, maar dan zoals de titaantjes die, nadat ze uren naar de zon hadden zitten kijken, daarna nog veel meer uren lang vooral gele vlekken in hun ogen zagen. Maar die verblinding hoort bij een verwonding die we koesteren.


Paul van Tongeren


Van de eerste druk van Nescio's bundel 
Dichtertje - De uitvreter - Titaantjes uit 1918 zijn er naar schatting nog slechts enkele tientallen tot hooguit honderd exemplaren in omloop (bron De Volkskrant, 2018). Ik heb er eentje van, in een jammerlijk versleten staat, maar prachtig opnieuw ingebonden door Boekbinderij Phoenix. Laten we eens zeggen dat er nog een aantal exemplaren buiten zicht zijn en dat er in totaliteit, met een beetje oprekken, nog 125 originele eerste drukken bestaan.

Dat oprekken doe ik een beetje omdat ik inmiddels ook een boekje van Paul van Tongeren over Nescio heb verworven, oplage, jawel: 125 stuks. Mijn vrouw vroeg me of dat wat uitmaakte. Vijftig euro voor zo’n dun boekje, 36 bladzijdes, bij een eenvoudig psychologensalaris. Eigenlijk niet, was mijn antwoord, maar ik wist natuurlijk beter. Mensen blijven verzamelaars. Noten zoeken, honderdduizend jaar. Klein boekje, groot geluk. Soms moet je die momentjes zelf creëren, zeg ik tegen mijn cliënten. Net zo lang tot je gele vlekken ziet.


maandag 16 maart 2026

Stille citaten

 


Ik was gisteren in Edinburgh. Ik loop door de stad, stap een steegje in met de sprookjesachtige naam Lady Stair’s Close, en ik stuit onder mijn voeten, gekerfd in tegels, op een aantal citaten van Schotse schrijvers waarvan ik in de meeste gevallen nog nooit had gehoord. Even wordt het stil in mijn hoofd. Ik laat het even tot mij komen, even alleen, een ervaring door woorden gevormd, de taal voorbij, als door een knip met de vingers. Totdat mijn vrouw roept of ik nog kom. Ze wacht aan het poortje met mijn oudste zoon, die we bezoeken. Snel twee foto’s gemaakt, even rap doorlopen en ik weer terug. Zo snel kan dat gaan. Mooie stad. Mensen die me lief zijn. Mooie dag!


Een intense ervaring, de taal voorbij…


Taal vormt onze ervaringen…

maandag 16 februari 2026

Wachters

 
Vilhelm Hammerhøy, “Interior, Strandgade 30”, 1901

Ik heb een boekje gelezen van Dirk De Wachter, over wachten. Dat moest er denk ik eens van komen. Niet mijn lezen, maar zijn schrijven. Of misschien ook wel allebei.

De Wachter voelt als een zielsverwant. Even oud, een vergelijkbaar beroep, dezelfde helden: Leonard Cohen, Randy Newman, Jacques Brel, Vilhelm Hammershøy. Enthousiast over Leven en Lot, de Russische klassieken, als hij met pensioen is wil hij Marcel Proust lezen. Ruim zes jaar geleden al haalde ik het interview van Wim Kayzer met Coetzee aan in eenzelfde context als hij het doet.

Ik heb onderstrepingen gemaakt in zijn boek, wat ik eigenlijk zelden nog doe.

De Wachter haalt Heigegger aan:
Warten ohne Erwartung.
Das Wesen des Warten ist die Gelassenheit zur Gegnet.
Fragen können is warten können, sogar ein Leben lang.

In het Duits klinkt alles mooier. Ook zonder de romantiek.

De favoriete filosoof van De Wachter evenwel Levinas, die de ander boven het ego plaatst. Dasein ist miteinander sein. Echte hoop zit in de verbinding met anderen, zegt De Wachter: ik ben niet alleen. De ander maakt mijn ik. Ik besta dankzij de ander. Dankzij degenen die je lief zijn: koester dat.

Ik herken die gerichtheid op de ander, die bij ons vak hoort. Daar halen wij onze voldoening uit. Maar niet iedereen is als wij. Waarmee eigenlijk geldt: niet iedere filosofie is waar. Niet universeel. Nooit voor iedereen. Maar de waarheid van De Wachter is toch een beetje ook de mijne. En dat geeft troost.

Ook ik ben een wachter, wachten tot aan het einde, ook ik heb een vrouw die me met beide benen op de grond houdt. Gelukkig maar. Ik voel me een gezegend mens als ik zo’n boekje lees. Het leven kan goed zijn, als je het maar wil zien. Dirk heeft er een beetje bij geholpen.

zaterdag 3 januari 2026

Welbehaaglijkheid

 


Een kleine drie jaar geleden kocht ik een eerste druk van Nescio’s Dichtertje - De uitvreter - Titaantjes, uit 1918. in het hetzelfde jaar aangekocht door Jonkheer David Cornelis Roëll, goede bekende van de schrijver, later hoofddirecteur van het Stedelijk en daarna het Rijksmuseum. David Roëll die kort daarna naar Parijs trok om een dissertatie af te ronden, wat niet lukte, om vervolgens met vrienden een kunstreis door Italië te maken. Denkelijk heeft hij het boekje van meegehad op reis. Het heeft in elk geval veel te lijden gehad. Een eerste druk van Nescio leek me altijd het ultieme bezit, maar het exemplaar van Roëll dat ik bij toeval verworven had was in een dermate verlopen staat dat ik het nog niet helemaal kon voelen.

Na lang dralen heb ik het boekje nu in laten binden door Boekbinderij Phoenix, Philipp Janssen, huizende in Kamperland, waar ik meermaals een rode zon achter de einders zag verdwijnen. Vlakbij Veere, vanwaar Bavink ooit met Japi aan kwam zetten. Vanwaar Grönloh steeds zijn brieven schreef. Waar de zeelucht graaft, zoals ook ik het er voelde, al voor ik het in zijn brief had gelezen. 

“Eigenlijk wordt hier helemaal niet gedacht”, schreef hij: “Soms springen mij vanzelf de tranen in de ogen, zoo maar zonder dat ik ergens aan denk, enkel van de welbehagelijkheid."

Tja. Welbehagelijkheid. Een burgerlijk streven waar zelfs Titaantjes niet aan ontkomen. Net zo min als Grönloh zelf. Net zo min als ik. Nu kan ik het wél voelen, dankzij Philipp.

Ik denk ook weer even aan David Roëll. Die er ook niet aan ontkwam. Ik had hem willen vragen wanneer hij het boekje uit het oog heeft verloren. Het zou hem deugd hebben gedaan het zo weer terug te zien.










dinsdag 23 december 2025

Magere koeien

 
Marc Chagall, “De drie kaarsen”, 1938-1940.
Met zijn bruid Bella bij de kaarsen van liefde, hoop en geloof.
In de aanloop naar de oorlog.

De golven kwamen sissend en schuimend op de kust af en liepen dan weer terug, zoals ze tijd hadden gedaan - een blaffende meute honden, niet bij machte om te bijten. In de verte schommelde een schip met een grijs zeil. Net als de oceaan bewoog het maar bleef toch op dezelfde plaats - een lijk dat gehuld in een doodskleed over het water liep.
‘Alles is al een keer gebeurd’, dacht Herman. ‘De schepping, de zondvloed, Sodom, het ontvangen van de Thora, Hitler’s Holocaust.’ Zoals de magere koeien uit de droom van de farao had het heden de eeuwigheid opgeslokt, zonder een spoor achter te laten.

Ik lees een boek van Isaac Bashevis Singer. Nobelprijswinnaar toch. Een goede schrijver om ter hand te nemen als iedereen zijn mond vol heeft over anti-semitisme. Niet alle kritiek op Joden moet geframed worden als anti-semitisme. Singer weet dat als de beste.

De farao ziet zeven mooie, vette koeien die grazen aan de Nijl. Daarna komen er zeven lelijke magere koeien die de vette koeien opeten, zonder dat ze dikker worden. Jozef legt het de farao uit: na jaren van overvloed volgt schaarste. Een voorspelling die altijd uitkomt. Mene Tekel. En dan ben ik toch weer bij Nescio. Waar het citaat ook al aan deed denken.

vrijdag 12 december 2025

En daar waren ze…

 
  


Rilke over de danseressen van Rodin, Parijs, 15-10-1907 (in: Briefe über Cézanne, poëtische vertaling)

En daar waren ze,
Kleine, tere danseressen,
Gazellen, gewijzigd van gedaante,
Lange slanke armen,
Getrokken uit de torso
als uit een lang gehamerd stuk,
Handen als acteurs
Beweeglijk en zelfstandig in hun handeling.

En wat voor handeling,
Boeddha handen,
Zich strekkend, vlak, eeuwig
Aan de rand van een schoot,
Stil,met de palmen naar boven,
Vragend om oneindige stilte.

Handen ontwakend, stel je ze voor,
Vingers gespreid, vingers gebogen
Als de roos van Jericho,
Vingers gelukkig, of angstig,
Aan het einde van de armen:
Dansend!
Het lichaam
Ingezet op evenwicht
Van het eigen lichaam
In de lucht, de atmosfeer
Van het oosterse Goud.


Bij Rilke is het een kleine stap van proza naar poëzie. Van het proza naar verwondering. Van van proza naar een religieuze beleving. Het gonst door mijn gedachten: “En daar waren ze…”.”En wat voor handeling…”. “Stel je ze voor…”.

woensdag 10 december 2025

Herschikking

 
Cézanne, “De zee bij l’Estaque”, 1878

Ik lees Rainer Maria Rilke’s “Brieven over Cézanne”, brieven die hij in 1907 schreef aan zijn vrouw Clara Westhoff, na het bezoeken - dagelijks - van een retrospectieve tentoonstelling van Paul Cézanne. Rilke zag in Cézanne de belichaming van een kunstenaar die zijn innerlijke leven volledig in zijn werk legde, waarbij de grens tussen waarneming en creatie vervaagde.
. 
Op 3 juni 2007 schrijft hij aan zijn vrouw:

Hoezeer verschillen zien en denken elders. Je ziet en denkt: later…

Hier zijn ze bijna gelijk. Je bent weer hier: dat is niet vreemd, niet bijzonder, niet merkwaardig <…>. De dingen hier nemen bezit van je, gaan met je verder, met je mee, naar alles toe en door alles heen, door klein, door groot. Alles wat ooit was rangschikt zich anders, stelt zich op in reeksen, alsof iemand erbij staat en bevelen geeft. En het tegenwoordige is tegenwoordig in alle indringendheid, alsof het op zijn knieën voor je ligt en bidt. <… >.

De kern van het meeste psychisch leed is erin gelegen dat mensen vooral in het verleden vertoeven, soms in de toekomst, daar alles herschikken in verkeerde beelden, beelden die niet helpen, meestal beelden zonder schoonheid. De schoonheid dient vooral in de momentane beleving te worden gevonden. In het hier en nu. Zoals Rilke op de Cézanne tentoonstelling. Maar ja, vertel dat maar eens aan de mensen.

maandag 8 december 2025

Trauma voor het er was

 


Ik heb “Thérèse Raquin” gelezen, van Zola, in een recente vertaling van Jelle Noorman. Voor wie nog Zola leest tegenwoordig.

Het boek nodigt niet uit om weer eens aan het hele oeuvre van Zola te beginnen, maar is vooral interessant  vanwege de treffende beschrijving van PTSS avant-garde la lettre. De nachtmerries na de moord, de voortdurende triggers. Laurent die als moordenaar van zijn vermogende rivaal alleen nog maar diens gezicht ziet in de portretten die hij schildert. De psychologie was al begonnen ruim voor Freud. 

Ook andere verwante psychologische aspecten komen aan de orde, zoals die van de ledigheid:

Ook Laurent leidde een afschuwelijk bestaan. Decdagen duurden ondraaglijk lang en brachten steeds weer dezelfde ellende, dezelfde loodzware verveling, die hem met een verpletterende eentonigheid en regelmaat op vaste tijden overviel. Hij sleepte zich door zijn leven voort, elke avond even verbijsterd bij de herinnering aan de voorbije dag en het vooruitzicht van de volgende. Hij wist dat voortaan alle dagen op elkaar zouden lijken en telkens met dezelfde kwellingen gepaard zouden gaan. En hij overzag de weken, maanden, jaren die hem te wachten stonden, een donkere onafwendbare stoet die hem onder de voet liep en hem geleidelijk verstikte. Wanneer de toekomst hopeloos is krijgt het heden een weerzinwekkende smaak. Laurent was niet langer opstandig. Hij gaf zich over aan het niets dat al bezig was zijn hele wezen op te slokken. Zijn ledigheid was dodelijk. ‘s Morgens ging hij van huis zonder te weten waar hij heen moest, al misselijk bij de gedachte te moeten doen wat hij de vorige dag had gedaan en desondanks gedwongen hetzelfde opnieuw te doen. Door gewoonte of obsessie gedreven begaf hij zich naar zijn atelier. Dat vertrek met zijn grijze muren, van waaruit hij slechts een stukje van de hemel kon zien, vervulde hem van een diepe mistroostigheid. Hij strekte zich uit op de divan, liet zijn armen strak naar beneden hangen en verzonk in zijn beklemmende gedachten. Een penseel durfde hij al niet meer aan te raken. Hij had het nog een paar keer geprobeerd, maar telkens weer was het Camilles’s gezicht dat hem op het doek aangrijnsde. Om niet in waanzin te verzinken had hij tenslotte zijn verfdoos in een hoek gesmeten en besloten helemaal niets meer uit te voeren. Dit gedwongen nietsdoen viel hem ongelofelijk zwaar.
<…>
Soms herinnerde Laurent zich dat hij Camille had vermoord om niets meer te hoeven uitvoeren, en dan was hij stomverbaasd dat hij het zo zwaar te verduren had nu hij niets meer uitvoerde. Hij had zich wel willen dwingen gelukkig te zijn. Hij hield zich voor dat hij niet zo hoefde te lijden, dat hij juist de hoogste vorm van geluk had bereikt nu hij met zijn handen over elkaar kon blijven zitten, en dat hij wel gek moest zijn om niet in alle rust van zijn geluk te genieten. Maar deze argumenten veranderden niets aan de feiten. In zijn hart wist hij maar al te goed dat hij met nietsdoen zijn leiden alleen maar verergerde, omdat hij erdoor gedwongen werd op elk moment van zijn levensovertuiging zijn wanhoop te piekeren en steeds dieper in die ongeneeslijke wond te wroeten. De ledigheid, dat dierlijke bestaan waarvan hij gedroomd had, bleek zijn straf. Af en toe verlangde hij vurig naar een bezigheid om zijn zinnen te verzetten. Maar dan liet hij zich weer gaan, bezweek hij opnieuw onder het gewicht  van het onverbiddelijke noodlot, dat hem in zijn kluisters sloeg om hem beter te kunnen verpletteren.

Treffende woorden, hoe lang geleden ook geschreven. Loslaten, bezig blijven. In de basis is ons vak niet zo ingewikkeld.