![]() |
| Vilhelm Arnesen, “Haven van Kopenhagen met Christianshaven”, 1889 |
Rond acht uur in de ochtend fiets ik richting het station om met de trein naar het werk te gaan. Elke dinsdag en donderdag. Het station ligt aan de andere kant van het kanaal. Deze ochtend stond de brug open. Er moest een boot door. Tergend traag drijft de hij voorbij, in een eeuwenoud tempo, de schipper rustig aan het roer, zijn vrouw wat onderuit met een boekje ernaast. Ze hebben geen haast, de volle boot kan niet sneller. Ik kijk op mijn horloge of ik de trein nog ga halen. En ik realiseer me dat ik aan de verkeerde van het leven sta. In het diepst van mijn wezen ben ik schipper. Ik bevaar mijn boot, die traag door het leven zijn weg zoekt naar een afronding. Het wordt tijd voor pensioen, schiet er even door me heen. Om die gedachte ook snel weer weg te duwen. Morgen heb ik een afspraak over langer door werken. Een beetje, nochtans.
Therapeut is geen zwaar beroep, hoorde ik verleden Anna Enquist zeggen. Het is een voorrecht even deel uit te mogen maken van andermans levensverhaal, lees ik bij Dirk De Wachter. Ik zoek alleen nog naar het juiste tempo.
