Labels

Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen

zaterdag 1 augustus 2026

De twee Sylvia’s

 
1973

Als psycholoog weet je dat sommige mensen met een knip van de vinger kunnen veranderen van persoonlijkheid. Veelal zijn het mensen die eerder in hun leven, vaak al in de kindertijd, het een en ander hebben meegemaakt. Misschien hebben we het allemaal een beetje, maar bij sommige kan het heel extreem zijn. En soms is het openlijk zichtbaar soms blijft het goed verborgen. “Als de gordijntjes dicht zijn weet je nooit wat er binnen gebeurt”, zei mijn mentor ooit.

Sylvia Kristel heeft altijd een bijzondere rol gespeeld in mijn leven. Ze speelde met Rutger Hauer de hoofdrol in de speelfilm “Mysteries” van Paul de Lussanet. De Emanuelle-films behoren tot mijn eerste kennismakingen met de erotiek. Niet onbelangrijk allemaal.

Ik kijk naar twee foto’s van Sylvia, eentje uit 1973, toen ze in de RAI uitgeroepen werd tot Miss TV Europe, de tweede uit 1975, in de film “Spelen met vuur”, nog van later dan haar eerste Emanuelle rol. Die moet best wat meegemaakt hebben in haar jeugd, denk ik dan. Maar haar uitspraken heeft ze later ingetrokken.

Ik kan me de prijzende woorden van mijn moeder nog herinneren uit naar ik aanneem 1973, toen ze voor op de Televizier-gids stond. Maar onderstaande foto heeft de cover niet gehaald. En anders hadden mijn ouders de gids wel voor mij verborgen gehouden, schat ik in. Jongetjes van dertien moet je niet bederven.

Enfin. Of het geholpen heeft weet ik niet. Sylvia blijft mijn favoriet. In alle versies.


1975

vrijdag 24 juli 2026

Plek van de plas

 
Plaats voor het speelkwartier. Plek van de plas.

Ineens wist ik het weer.

De zuster had gezegd: “niet door de plas lopen”. Ik had toch door de plas gelopen en de zuster had me ondersteboven, ik weet niet goed meer hoe, met mijn hoofd en haren in de plas gedoopt. Het moet in de tweede kleuterklas zijn geweest. Thuis had ik niks durven zeggen, maar pap en man hadden het via kennissen, waarvan het dochtertje een klasgenootje was, toch gehoord, en ze waren verhaal gaan halen bij de zuster. Wat ik later pas hoorde. Ik zal evengoed op mijn donder hebben gehad, wat maakte dat ik later wel meer zou blijven verzwijgen. Zoals dat gaat.

Ik was op mijn oude kleuterschool waar nu een Polenhotel is, bij toeval. En ineens wist ik het weer. Niets wordt vergeten. Ook al denken we soms van wel.


vrijdag 1 mei 2026

Nummer 30

 
Leonid Pasternak, “De muziekles”, 1909

Ik kom toch nog een terug op de televisieserie “Van de schoonheid en de troost”, uit 2000, vanwege de potentie zal ik maar zeggen. De potentie televisiemaker Wim Kayzer vaak miste, vond ik toen. Maar misschien doe ik hem tekort.

Tegenwoordig kun je alles terugkijken. Ik keek het interview met George Steiner terug. Hij vertelde een anekdote over Pasternak, die hij hoog heeft.

Het is 1937. Het ergste jaar van Stalins Grote Zuivering. In Moskou vindt het schrijverscongres plaats. Sprekers bewieroken Stalin en de triomfen van de Sovjet-Unie. Dan is Pasternak aan de beurt. Pasternak geldt als een groot schrijver. Zjivago is nog niet verschenen. Ze zeiden tegen Pasternak: “Als je iets gaat zeggen zullen ze je arresteren, als je niks zegt zullen ze je ook arresteren, vanwege het cynisme”. 
Pasternak gaat iets zeggen. Het is muisstil. Rijzig groot als hij is, gezeten vlak naast Zjadanov, staat hij op voor de zaal met tweeduizend schrijvers en zegt twee woorden: sonnet 30. Pasternak heeft de sonnetten van Shakespeare op grootse wijze naar het Russisch vertaald. De hele zaal weet dat, de hele zaal staat op, en iedereen declameert Shakespeare’s sonnet nummer 30, uit het hoofd.

When I summon up remembrance of things past.

Zoiets kan alleen in Rusland. Er lijkt weinig veranderd.

Hieronder de vertaling van Peter Verstegen, omdat ik het niet beter kan:

Als ik voor ’t hof van tedere gedachten
Herinneringen aan vroeger tijd ontbied,
Smart mij ’t gemis van veel waar ik naar smachtte,
Voel ik de pijn van tijd verdaan om niet.

Dan smelt mijn oog dat lang droogstond weer
Om lieve vrienden in Doods eeuwge nacht,
Ik treur om liefdespijnen van weleer
En ween om smart die wat teloorging bracht.

Dan lijd ik weer om leed van vroeger dagen,
Met zwaar hart tel ik pijn en pijn tezaam
Tot droeve som van al mijn vroeger klagen

Die ‘k moet voldoen als was zij nooit voldaan.
Maar, lieve vriend, zie ‘k dan jouw beeld voor mij,
Is het verlies hersteld, het leed voorbij.

maandag 27 april 2026

Vandalen

 


Het is koningsdag. De koning en zijn gevolg zijn in Dokkum en dan denk ik weer terug aan de geschiedenisles van meester Zegveld. Bonifatius bij Dokkum vermoord.

Ik zoek een schoolplaat van de moord op Bonifatius, maar stuit vooral op afbeeldingen van het moment waarop hij in 723 de heilige Donareik omhakt, om aan de heidenen te bewijzen dat er niets gebeurt, waar rampspoed werd verwacht. Het moet een enorme boom zijn geweest.

Ik krijg ineens een bijzondere associatie. In de vroege ochtend van 28 september werd in Nothhumberland, bij de muur van Hadrianus, de wereldberoemde Sycamore Gap tree, ook wel Robin Hood-boom, door twee jonge vandalen omgezaagd. Dit leidde tot een wereldwijde verontwaardiging.

Ik kan me niet goed voorstellen dat de Germanen indertijd ook niet verontwaardigd zijn geweest. Bonifatius had ook gewoon kunnen zeggen dat het onzin was wat ze geloofden. Blijkbaar is er soms toch iiets meer nodig om de boel in beweging te krijgen, moet hij gedacht hebben. Maar de boemerang komt altijd terug, ook dat heeft hij ervaren. Maar leerde ik al van meester Zegveld.

De koning kapt geen bomen. De koning is een jager. Dat maakt hem geen vandaal, maar ook die boemerang zal een keer terugkomen. De geschiedenis heeft een lang geheugen.




donderdag 23 april 2026

Trots op Truus

 


Nog even over de roaring twenties. Van het een komt het ander.

Truus van Aalten was dochter van een drogist uit Arnhem, later Amsterdam. Als kind was ze al helemaal in de ban van de stomme film, die toen net opgang maakte. Ze verzamelde fanatiek fototijdschriften, ansichtkaarten van filmsterren, en op 14 jarige leeftijd mat ze zich al een bopkapsel aan, hetgeen toen net nieuw was en gold als vrijgevochten. In werkte 1926 bij Peek & Cloppenburg te Amsterdam, maar toen ze in de krant las dat de Duitse filmmaatschappij UfA meisjes uit diverse Europese landen zocht voor filmrollen solliciteerde ze direct, werd aangenomen, maakte direct al grote indruk en schitterde vervolgens jarenlang in vooral komische Duitse filmproducties. Na de oorlog werd ze in de Nederlandse filmwereld genegeerd vanwege haar eerdere werk in het land van de agressor. In 1999 stierf ze vergeten in een tehuis voor dementerenden.

Dat over Truus. Voor nu werd ik vooral gefascineerd door de foto van Alexander Binder, die in oktober 1928 ook in geanimeerde vorm op de cover van Das Leben prijkte, hét geïllustreerde tijdschrift voor de welgestelde, hoogopgeleide Berlijnse upperclass-class in de tijd. Het zou ook de omslag mogen zijn van het boek dat ik over haar zou willen schrijven, waarvan ik niet weet of het er ooit van zal komen. Maar de plaatjes zijn sowieso meer dan voldoende voor mijn blog van vandaag. Laten we een beetje trots zijn op haar, honderd jaar na dato.




dinsdag 10 maart 2026

Humor in wording

 
Barend met frieten

Barend Servet is dood. IJf Blokker, zoals hij eigenlijk heette.

Ik was een jaar of twaalf dertien toen de Barend Servet Show op de televisie was. Ik hoor mijn moeder nog mopperen, hoe ordinair het allemaal niet was. Maar het stond wel op. Misschien dat mijn vader daar de hand in had, ik weet het niet, maar voor mij was dit een hele nieuwe vorm van vermaak. En voor het eerst geloof ik zag ik af en toe blote borsten. Wat nu niet meer kan was toen progressief, VPRO.

Wat ook nieuw was was de absurdistische humor, die ik leuk vond, maar mijn ouders niet. En toch keken ze. 

Op Wikipedia vind ik een foto van Servet met een zak frieten. Ik herinner me de scène nog: Servet heeft frieten besteld maar komt uiteindelijk een paar frank tekort om de versnapering te betalen. “Oh, maar dan pakken we toch gewoon een paar frieten terug”, zegt frietkothouder Van Oekel, en graait door de mayonaise heen om de daad bij het woord te voegen. Smerig, vond mijn moeder, maar ik herinner me meer dan een halve eeuw later nog altijd hoe ik innerlijk lachte. Zonder dat ik kan zeggen of dit nu de basis vormde voor mijn uiteindelijke gevoel voor humor.

maandag 2 maart 2026

Debutante

 
Edward Steichen, Miss Fanny Haven Wickes, december 1924

Een debutante is 
een jonge vrouw uit de hogere kringen die traditioneel voor het eerst formeel aan de samenleving wordt gepresenteerd op een "debutantenbal", in de Verengide Staten ook wel “coming-out party” genoemd. Dit evenement, vaak gehouden in de periode rond kerst en nieuw en gekenmerkt door een witte galajurk, markeert dat zij huwbaar is en toetreedt tot de volwassen sociale elite.

Fanny Haven Wickes (1906–1987), was de oudste van vier dochters van Forsyth Wickes (1907-1965, kunstverzamelaar, filantroop) en Marian Arnout Haven (1880-1969), die - vooral vanuit de Forsyth-lijn - behoorden tot de rijkste families van New York en omgeving. Ze bewoonden het statige Villa Zeezicht in Newport en hadden een prachtig buitenhuis in Tuxedo Park, waar de upperclass van New York zich ontmoette.

Eind
 december 1924 werd Fanny als debutante door haar ouders geïntroduceerd in de hogere kringen van New York, samen met drie andere jongedames (Squier, King, Vanderlip). De fameuze kunst- en modefotograaf Edward Steichen maakte voor die gelegenheid bovenstaande portretfoto, die haar eeuwigheidswaarde verschafte. In de New York Times van 30 december 1924 wordt verslag gedaan van het debutantenfeest in de ballroom suite van de Ritz-Carlton in New York, met vermelding van een hele lijst prominente aanwezigen, waaronder veel Vanderbilts. Hoe het voor Fanny persoonlijk afliep staat niet vermeld. Later huwde ze ene Parsons, die ik niet op de lijst van aanwezigen kan vinden.

De wereld van de New Yorkse upperclass, met haar ingewikkelde sociale conventies, ken ik vooral uit “The Age of Innocence”, roman van Edith Wharton uit 1920. Toen al werden die conventies gehekeld. Er is veel veranderd sindsdien. Het fenomeen van debuteren bestaat niet meer, is niet meer passend bij de normen en waarden van deze tijd. Wat ik snap, en wat ook goed is. Tegelijkertijd had ik er graag bij geweest, bij dat debutantenfeest. Ik had een goede geweest om in die upperclass te vertoeven. Al is het maar door een boek te lezen uit die tijd. Er is ook veel verloren gegaan.


Fanny Haven en haar jongere zus Marian (1907-1965), ca. 1919


Zeezicht, landgoed van de familie

dinsdag 10 februari 2026

Grote namen

 


Toen ik ruim een jaar was, in april 1961, enig kind nog, lieten mijn ouders mijn portret schilderen. Op basis van een foto natuurlijk. Stilzitten op die leeftijd is moeilijk, ook voor mij. Toen ze het schilderij ontvingen waren ze een beetje verbolgen omdat de kunstenaar de foto als onderlegger had gebruikt. Ingekleurd, zou je kunnen zeggen. Het voelde een beetje als bedrog.

Toch heeft het portret in mijn ouderlijk huis gehangen tot mijn moeder 23 jaar geleden verhuisde. Nu, na haar overlijden, vind ik het terug op zolder. Zoiets doe je niet weg. Mijn moeder heeft het bijna 65 jaar in huis gehad. Uiteindelijk heb ik het nu dan ook maar meegenomen, zonder enige intentie het ergens op te hangen. Maar weggooien vond ik geen optie.

Ik vroeg Chat GPT om versies van het portret te maken van Van Gogh, Renoir, Rembrandt zelfs. Best aardig, vind ik zelf. De verschillen zijn niet eens zo gigantisch. Ik vraag me af hoezeer een naam bepalend is voor dat wat we mooi noemen in de kunst. Of dat het iets uitmaakt of iets origineel geschilderd is of een overgeverfde foto. Eigenlijk is het best een mooi portretje.

Maar het is geen Renoir, geen Van Gogh, geen Rembrandt. Het portret zal wel weer op zolder belanden. Om uiteindelijk een keer te verdwijnen. Zo gaat dat met de naamlozen.


Renoir


Van Gogh


Rembrandt


maandag 2 februari 2026

Bewaren




Mijn moeder was niet van het weggooien. Ze zag het niet meer goed en regelmatig moesten we in haar laatste jaren al levensmiddelen uit de voorraad verwijderen die soms jaren over de datum waren. “Ons mam ziet het niet meer”, was dan het excuus.

Maar dat excuus ging niet altijd op. Ik pik er twee dingen uit die bij het opruimen door mijn handen gingen, die er mijn leven lang zijn geweest. Die me terugbrengen naar momenten die hooguit mijn zus nog een beetje met me deelt. Zonder bijzondere nostalgie overigens.
 

De broodtrommel die al in mijn kleuterjaren op een plank bij de kelder stond en waar ik toen niet bij kon, omdat er een trapgat voor zat en ik nog te klein was. Reden waarschijnlijk waarom er toen ook wel lekkere dingen in gezet werden, waar ik niet aan mocht. Cake bijvoorbeeld. Ik herinner me dat ik eens probeerde of ik erbij en bijna in het gat viel. En mijn moeder boos..


In een la vind ik een broodmes dat in mijn kinderjaren altijd hoog in een keukenkastje lag, alweer omdat ik er niet aan mocht. Omdat het te scherp was. Nu ligt het gewoon in de keukenlade en mag ik er gewoon bij. Ik voel over het lemmet. “Het snijdt nog goed”, hoor ik mijn moeder in gedachten zeggen. “Waarom zou je het weggooien?”

We kunnen niet anders dan het alsnog weggooien. Het zijn spullen zonder nostalgische waarde, ik zei het al, maar toch doet het een beetje pijn er afscheid van te nemen. Omdat de pijn van het afscheid vaak zit in onbeduidende dingen.

Laat ik het zo maar een beetje verwoorden. Het levert geen mooie plaatjes op. Daarom maar openen met een AI-plaatje. Een beetje tegen mijn principe in.

zaterdag 24 januari 2026

Fietsvakanties en Sinterklaasgedichten




Bij het opruimen van de spullen van mijn overleden moeder stuit ik op een grote doos met herinneringen aan fietsvakanties met mijn vader, van voor hun trouwen, zo’n beetje van 1954 tot 1958. Prentbriefkaarten, entreekaarten, suikerzakjes, allemaal verzameld en ingeplakt in meerdere schriftjes. Foto’s zaten in een ander album, die kende ik al.

Ik vind schoolrapporten, een MULO-diploma, Sinterklaasgedichten. Ik lees er een van mijn moeder, die een trui had gebreid. In mijn hoofd hoor ik het mijn vader hardop voorlezen. En mijn moeder verlegen lachend, zoals dat past op die leeftijd. Twintig of zo. Een mooie leeftijd, een tijd van verwachting. Alles zou beter nog worden. Dat moet het gevoel zijn geweest. Een gevoel dat wat verdwenen lijkt.

Er is weinig wat beklijft, dat is wat ik nu voel. Alles snelt voorbij. Ik kijk naar de foto van mijn ouders op de fiets en voel me een beetje tussen twee werelden. Wie schrijft nog met de hand? Wie spaart er nog suikerzakjes? Toch maar wat bewaren dan? Er spreekt liefde uit die niemand meer voelt, behalve ik misschien. Als ik er ooit niet meer ben mag het weg. Laten we dat afspreken.













zondag 18 januari 2026

Bewaarde trots

 


Mijn moeder groeide op in een tijd die wij ons nauwelijks nog kunnen voorstellen, voor- en tijdens de oorlog. Er was niks, met niks moest je beginnen. Nog geen week na het behalen van het MULO-diploma had haar vader al een baan op kantoor geregeld, bij de fabriek waar hij werkte. Salaris moest worden ingeleverd.

Toch moet er ergens ook wat gespaard zijn. In de aanloop van haar trouwen in 1958 had mijn moeder thuis een kist op zolder staan, waar allerlei spulletjes in zaten, voor de uitzet. Tante Sjaan mocht daar af en toe in kijken, hoorde in bij de crematie, en dan was ze trots. Wat zou erin hebben gezeten?

Ik weet dat mijn moeder een reeks boeken had, volgens mij via tijdschrift Margriet. Later heb ik daar de Zwerver-romans van Van Schendel nog uit gelezen. “Ik zag die al helemaal in mijn eigen kamer staan”, zei ze me ooit. Tientallen jaren hebben ze daar nog gestaan. Naast de oorlogboeken van mijn vader.

Ik weet niet of het servies en bestek in haar kist hebben gezeten, maar het moet er in elk geval zijn geweest vanaf haar moment van trouwen. Toen ik klein was kwam het bij gelegenheden uit de kast. Met kerstmis, Pasen. En alle herinneringen die daaraan gekoppeld zijn. Het waren spullen om trots op te zijn. 

Bij haar overlijden stond het nog steeds in de kast, het servies althans, nog vrijwel compleet. Op Marktplaats werd geen interesse getoond, mijn zus en ik hebben geen plaats. Nu gaat het naar de kringloop, waar het voor een habbekrats meegenomen kan worden. Of niet. Waarmee de kist met de uitzet voorgoed wordt gesloten.

Ik denk aan mijn boekenverzameling, zo met zorg opgebouwd, en wat daar straks mee gaat gebeuren. Waarvan ik alleen de waarde ken. Mijn moeder hoopte steeds dat ze anderen na haar overlijden nog blij kon maken met haar spulletjes. Tevergeefs, bleek uiteindelijk. Ik snap nu wat beter wat ze voelde.




maandag 12 januari 2026

Complimentjes

 


Voor ik psychologie studeerde bezocht ik een ondrwijzersopleiding. Daar kreeg ik les in handvaardigheid en kreeg van de docent complimenten over mijn klei-werkjes. Tegen de groep zei hij een keer dat ik dat goed in mijn vingers had: “Een paar keer kneden en de basisvorm zit er direct al in”. Dat compliment heb ik altijd onthouden.

Over een poosje ga ik met pensioen en soms denk ik over een nieuwe hobby. Ik denk ook wel eens aan beeldhouwen, wellicht vanwege het compliment. Maar waar laat ik de hele rommel, denk ik dan, mijn boeken nemen al zoveel ruimte in. Toch maar een boek schrijven, lijkt me. Of pianospelen.

De school werkstukjes nam ik indertijd mee naar huis. Ik had er niet zoveel mee, maar mijn moeder was ook complimenteus, zette ze op plekjes in huis. Nu bijna een halve eeuw later is ze overleden en bij het opruimen van de boedel komen ze weer boven water. Eentje stond onopvallend in de keuken, een ander op de logeerkamer. Een staande figuur die ik me ook nog herinner heb ik niet meer gevonden. Ik weet niet goed wat ik er mee moet. Ik heb er nog steeds niet zoveel mee, maar vind het toch aandoenlijk dat mijn moeder ze al die tijd bewaard heeft. Ik maak er in elk geval maar een paar foto’s s van. En een herinnering in dit blog. Dan blijft er sowieso iets van behouden.




zondag 11 januari 2026

Souveniertje

 


Mijn moeder is dood en nu gaat het huis verkocht worden. Het huis moet leeg. We zijn druk aan het opruimen en van alles komt tevoorschijn.

Ik vind een zilveren lepeltje uit Utrecht. In de jaren vijftig gingen mijn ouders vaak op fietsvakantie. Overal woonde wel iemand waar ze konden logeren. Blijkbaar waren ze ook in Utrecht. Midden jaren vijftig moet het zijn geweest. Altijd nam mijn moeder een souveniertje mee.

Ik herken het lepeltje nog van toen ik klein was. Mijn hele leven lang lag het in de keukenla. En het lag er nog. Er waren meer van dit soort zilveren lepeltjes, maar dit is het enige dat niet verloren is gegaan. Mijn jongste zoon woont in Utrecht en neemt het mee, terug zou je kunnen zeggen. Elke cirkel komt een keer rond. Bij het einde keert alles terug.

vrijdag 9 januari 2026

Wie is wie?




Twee portretten van de in 1942 te Auschwitz overleden Haagse kunstschilder Abraham Fresco, wiens lemma ik schreef op Wikipedia. Het rechter portret is eigendom van het Joods Kultureel Kwartier te Amsterdam en wordt aangeduid als “Portret van Dé-tje”, geschilderd in 1940. Deborah Engelsman was de vrouw van Fresco, eveneens overleden te Auschwitz in 1940, net als hun dochtertje Marga, geboren in 1929, een jaar na het huwelijk tussen Fresco en Engelsman.

Het linker portret van Fresco werd kwam 2025 onder de hamer bij het Zeeuws Veilinghuis onder de titel “Portret van Deborah Fresco”, zonder datum, aangeboden door een ver familielid van de schilder. Het portret werd voor 3400 euro verworven door mevrouw Seline Hofker, die met overtuiging via de media meldde dat het niet ging om Deborah, maar om haar grootmoeder Mary Georgette Geisenhainer, die rond 1937 volgens haar geposeerd zou hebben voor Fresco. “Ik keek recht in de ogen van mijn grootmoeder”, liet ze opkomen. Ze onderbouwde haar bewering door onderstaande foto van haar om te laten plaatsen naast het door Fresco geschilderde portret.




Zegt u het maar! De gelijkenis tussen beide portretten lijkt net zo onmiskenbaar als die tussen de foto en het portret dat volgens Hofker van Mary Georgette Geisenhainer zou zijn. Een sterk gelijkende dame komt ook nog eens terug op een aankondiging van een Fresco-tentoonstelling in Den Haag, de enige solo-tentoonstelling die hij ooit had. Seline Hofker heeft het in bezit en beweert dat ook dat portretje haar oma betreft, maar je zou ook kunnen denken dat Freaco zijn vrouw op de nkondiging zou willen laten prijken. Ook denk ik, als het door Hofker verworven portret altijd in bezit van een ver familielid van Fresco is gebleven, dit ook in de richting van Deborah zou kunnen wijzen. Van de nadere kent heeft Hofker natuurlijk ook een overtuigend verhaal, zeker ondersteund door de foto.

Eigenlijk moet het me natuurlijk ook niks kunnen schelen. Maar toch zou ik het ergens jammer vinden als het door Hofker zo zeker aan haar grootmoeder gelinkte portret toch van Deborah Engelsman zou zijn geweest, als hr nm en een mensenleven later toch nog vanaf getrokken zou worden. Ik weet niet goed waarom.



En wie zou dit dan zijn hieronder? Zelfde kapsel, ook gesigneerd door Fresco.




donderdag 8 januari 2026

Draden langs enkel leven

 
Albert Guillaume, “Theetijd”, ca. 1910

Draden voorbij het ongeloof
                               en de nooit ervaren bevrijding,
Voorbij verloren Godsgeloof
                                en te traag gekomen tijding,
  Draden langs een enkel leven,
                                   samengetrokken na spreiding,
     Draden die me vaag verbinden
                                   voorbij de gedichte scheiding.


Jaren geleden was ik in Auschwitz. Ik liep langs hele gang met koffers achter een glazen afscheiding. Links in de hoek ligt een grote bruine met in koeienletters Karel van Gelderen erop gekalkt. Ik schreef er een blog over.

Op LinkedIn zie ik af en toe wie mijn pagina heeft bezocht. Corien Glaudimans, historica, ik zag waar ze mee bezig was en meteen ging er een lichtje branden. Er ontspon zich een ultrakort gesprekje.

Ik: Dag Corien. Volgens mij linken wij via Karel van Gelderen. We kennen elkaar verder niet maar toch leuk en bijzonder dat zoiets zoveel jaren later kan gebeuren. Fijne dag gewenst.

Corien: Beste Pim, Dat klopt. Ik schrok bij het zien van de foto van de koffer van Karel van Gelderen. Joop Lessing, de zwager van Karel van Gelderen, was mijn oom. Van mijn neven had ik al gehoord dat zijn koffer in Auschwitz was. Zelf ben ik adviseur van de Stichting Joods Erfgoed Den Haag en doe veel onderzoek en sinds enige jaren ook voor mijn neven Dio en Paul Lessing. Dank voor de reactie en hartelijke groet Corien Glaudemans

Zo houden we mensen toch nog een beetje in leven.
  • Corien Glaudemans sent the following message at 10:57 AView Corien’s profilCorien Glaude

dinsdag 30 december 2025

Wonderlijk geheugen

 


De Top 2000 is op de radio. Ooit in de eerste helft van de jaren zeventig luisterde ik naar de Top 100 aller tijden. Veel singles of nummers van LP’s die ik in die tijd bezat staan nu nog in de Top 2000. The Free, Golden Earring, Jimi Hendrikx. Als ik dit schrijf luister ik naar All along the Watchtower, dat toen samen met Hey Joe op de B-kant stond van Voodoo Child. Een nummer van de eerste LP van Black Sabbath dat toen nooit op radio werd gedraaid staat nu in de lijst. Ik kan alles nog steeds meezingen, nu weer Tears in the Morning. Duizenden nummers galmen een halve eeuw later nog steeds door mijn hoofd, elk rifje precies op zijn plek. Ons brein is een wonderlijk orgaan.

Toen ik tien was kreeg ik een singletje van de Cats, Marian, wat ik niks vond. Ik ruilde het met een neef, Pierre van Achel, voor een singletje van de Rolling Stones, Honky Tonk Woman. De B-kant van die single was You can’t always get what you want, wat ik veel mooier vond.

Ik hoor nu dat laatste nummer hoog in de Top 2000 staan, veel hoger dan de A-kant, die er ook in staat. Had ik toch al goed gehoord toen, blijkbaar. Tegelijkertijd staat ook Marian van de Cats hoog genoteerd. En na al die jaren ben ik ook dat nummer gaan waarderen. Hoorde het in de auto. Heb ik op single gehad, zeg ik tegen mijn vrouw. Blijkbaar is niet alles een kwestie van goed horen. Soms is het ook een kwestie van toelaten.


vrijdag 5 december 2025

Vertelselboek

 

Mijn moeder is overleden. Voor het eerst ga ik de feestdagen in zonder haar warme aanwezigheid.

Zoekend naar fotoboeken op haar zolder stuit ik op een voorleesboek, “Mijn liefste vertelselboek”, waaruit ik meer dan zestig jaar geleden door haar werd voorgelezen. Op de allereerste pagina zie ik een tekening van Sint en Piet. Van eigen hand. Ik zie het boek van Sinterklaas, de zak, de televisie met antenne voor het vensterraam van de doorzonwoning waar we toen woonden. Er is een stoomboot op.

“Wat een mooie tekening”, zal mijn moeder gezegd hebben, “wat kun jij al goed tekenen”. Dat is wat je als kind wil horen. Kinderen willen dat hun moeder trots op ze is. Vooral moeders denk ik. Maar nu is ze er niet meer. Ik zal moeten leren een beetje trots te zijn op mezelf, denk ik. 

“Mooie tekening”, hoor ik mezelf zeggen. 

En toch mis ik mijn moeder.

dinsdag 4 november 2025

Pauline’s onsterfelijkheid


150 x 120 cm, Harris Museum and Art Gallery, Preston.

“Pauline in de gele jurk” is een portret van de Schotse kunstschilder Herbert James Gunn (1893-1964). Het veroorzaakte nogal wat ophef toen het in 1944 geëxposeerd werd bij de Royal Academy in Londen, kreeg lof zowel als kritiek. De Daily Mail lauwerde het als de Mona Lisa van het jaar. Tegelijkertijd werd er schande over gesproken, met name in Preston, niet alleen vanwege het hoge bedrag dat het Harris Museum er voor neerlegde, maar ook omdat het niet gepast werd geacht om zoveel glamour en weelde te etaleren in oorlogstijd.

Pauline Miller (1901-1950) was de tweede vrouw van de kunstschilder, een mannequin die hij in Parijs ontmoette nadat zijn eerste vrouw hem had bedrogen. Gunn, die toch ook twee koningen en drie eerste ministers portretteerde, leek vooral te genieten wanneer hij de elegante schoonheid van zijn eigen Pauline op het witte doek mocht vastleggen. Zijn trots is voelbaar, net zoals de hare. Je voelt liefde, intimiteit en vooral ook gelijkwaardigheid. Als je je vrouw zo portretteert dan weet je dat het goed zit. 

Pauline wist op het moment dat ze geportretteerd werd al dat ze terminaal ziek was. Ze zou uiteindelijk nog een zestal jaren leven, maar de wetenschap dat ze haar sterfelijkheid bewust moet zijn geweest geeft het portret een nieuwe dimensie. Ik zie het achter haar ogen, door de liefdevolle ogen van Gunn, die weet dat hij haar gaat verliezen. Een verborgen eeuwigheid die sterker kan zijn dan de dood. Dat is denk ik waar de liefde voor bedoeld is. Dat is de schoonheid die we zoeken in het einde. Oorlog of niet.



dinsdag 21 oktober 2025

Kennie’s geheim

 
Het gezin van Arthur van Schendel,Ascona 1927. V.l.n.r.:kleindochter Carla Plug, dochter Bartje
(van eerste vrouw), tweede echtgenote Annie, kinderen Arthur, Arthur jr. (Sjeu) en Kennie

Arthur van Schendel (1874-1946) lijkt bijna tachtig jaar na zijn dood een vergeten schrijver. Een aantal jaren geleden al kocht ik zijn verzameld werk in acht delen dundruk, tegenwoordig gratis te downloaden, voor twintig euro, waar daar in de tijd dat ik nog dweepte met zijn zwerver-romans, niet zo lang na verschijnen, ruim meer dan tweehonderd gulden voor betaald moest worden, die ik toen niet had.

Van Schendel verdient deze vergetelheid niet. Net als Hamsun herken ik zijn outsiders, die ik uiteindelijk zelf nooit was. Gelukkig maar.

Van Schendel had met zijn tweede vrouw een dochter, Kennie, eigenlijk Corinna (1909-1985), die Italiaans studeerde en veel belangstelling had voor literatuur. Na de oorlog woonde ze in Amsterdam en had veel kennissen in het literaire milieu. Ze had naar verluid al vanaf jonge leeftijd veel aanbidders, maar wees ze af omdat ze een klaarblijkelijk onbereikbare liefde had, zonder dat iemand wist en nu zeker al niemand meer weet wie dat geweest zou kunnen zijn.

Het zou een mooi thema voor een roman kunnen zijn. Van die onbereikbare liefde zou ik een outsider maken alla Hamsun. Of misschien zelfs alla Van Schendel. Nog beter!


Met vader Arthur in Sestri Levante 

vrijdag 19 september 2025

Narretje hervonden

 


Bij De slimste mens ging het even over Arretje Tof. Dat deed mij denken aan Narretje Notendop. Mijn vrouw had geen idee wat ik het over had, maar ik wist het weer, ineens vanuit de diepste krochten van mijn geheugen. Wat daar allemaal niet zit wat allang vergeten werd gewaand.

Narretje Notedop werd uitgezonden van 1964 tot 1968. Vandaar dat mijn vrouw afhaakte. In 1964 kregen we thuis televisie. Ik herinner me nog de installatie. “Er is al iets op”, riep ik enthousiast. Iets groots was gebeurd in mijn leven. Dat voelde ik. Alles haakte zich vast. Zoals blijkt, ook nu weer.

Narretje was ondeugend. Lodewijk de lakei altijd boos. Prinses Pingelore mooi, daar werd je verliefd op, al wist ik toen nog niet wat dat inhield. Ik herken weer de namen, door decennia vergeten. Ik verbaas me over wat ik allemaal nog weet. Narretje. Tjee. De opnames zijn gewist. Nog even - laat het asjeblief nog lang duren - en Narretje is compleet gewist. Met mij en een hele generatie erbij.

En dan denk ik aan al het andere dat al eerder gewist is, in eeuwen, ontelbare herinneringen, zonder dat iemand nog weet wat.