Labels

dinsdag 19 mei 2026

Ben gerust

 
Oskar Moll, “Naakt met een waaier”, 1924

Ben gerust,
Niemand is sterk
                            of heeft de kracht,
Niemand heeft alles
                               of zelfs maar genoeg
Niemand heeft een echte vriend
                                     of iemand die het snapt,
Niemand is bijzonder
                                   of ze doen alleen alsof,
Alles is onzin
                                 of anders wel pedant,

En dat is alles wat je moet weten,

Het enige dat je helpt,

                        of in elk geval een beetje.


vrijdag 15 mei 2026

Geluk van het moment

 
Dora Wahlroos, “Avond in Parainen”, 1898, 80 x 125 cm, K.H. Renlund Museum Kokkola

Dora Wahlroos was een Fins kunstschilderes (1870-1947). Ze volgde haar man Emil Wikström (1864-1942) in 1891 naar Parijs, waar ze samen studeerden aan de Academie Julian.Wikström echter was haar vaak ontrouw, zoals dat gaat wanneer je vaak met naaktmodellen werkt, denk ik dan. In 1895 keerden ze terug naar Finland en lieten zich daar scheiden. Wikström hertrouwde kort daarna met hun gezamenlijke vriendin Alice Högström (1863-1959), hetgeen bij Dora een diep spoor van wantrouwen achterliet.

In 1900 ging Dora opnieuw naar Parijs omdat ze er enkele werken exposeerde op de Wereldtentoonstelling. In augustus reisde ze door naar Italië, waar haar landgenote Elin Danielson-Gambogi (1861-1919) woonde, de meest getalenteerde Fins kunstschilderes van haar generatie. Dora werd verliefd op haar man Raffaello Gambogi (1874-1943). Ze kregen een intense verhouding, waardoor Elin depressief werd. Uiteindelijk hielde de relatie tussen Dora en Rafaello geen stand, maar de psychische problemen bij Elin zouden nooit meer verdwijnen.

Een  levensverhaal in een notendop, eigenlijk een een roman waardig. Wat gij niet wilt…

Ik pik er een schilderij van Dora uit vandaag, wellicht haar mooiste. Xx. Ik zie eenvoudige mensen in het geluk van het moment. Zoals het altijd zou moeten zijn. Maar niet altijd is. Op zoek naar het geluk van het moment berokkenen mensen veel schade. Het mooie meisje vooraan kijkt de toeschouwer recht aan. Wie is haar toeschouwer?  Wie mag met haar dansen? Wie kan zo’n meisje weerstaan? 

Wat moet Dora gedacht hebben toen ze dit tafereel schilderde, 1898.

donderdag 14 mei 2026

Metamorfosen

 
Ignatio Zuloaga, “Madame Souty rustend op de sofa”, 1921

Het naakt van Ignatio Zuloaga kijkt me recht in de ogen, brengt me terug in de tijd, brengt naar brengt me naar Olympia, naar Maya, naar mijn vroege puberteit.

Toen ik veertien was kocht ik in korte tijd de eerste drie albums van Roxy Music. Mijn moeder vond het allemaal ordinair, hoe Ferry en consorten eruit zagen, maar ook de hoezen. Ik legde er altijd een andere hoes bovenop wanneer ik een van deze albums op de draaitafel had liggen. Wat vaak was want Roy Music was ooit een game changer in mijn kunstbeleving. Niet alleen muzikaal. Later realiseerde ik me dat ook met betrekking tot de beeldende kunst. De hoezen lieten me zien dat er een andere wereld bestond. Dat ik kind zijn voorbij was. Kari-Ann Müller keek me vanaf de hoes van het debuutalbum recht in de ogen en maakte mijn eerste metamorfose compleet. Dit was mijn kijk op het leven. Het had iets artificieels, in een overtrokken elegantie, verwant aan decadentie, maar het zei toch ook iets over de kijk op het leven, hoe ik wilde zijn in weerwil van mijn ouders. Ik voelde iets van trots, inzicht, mededogen, eenzaamheid, Nietzsche’s kardinale deugden, voor het eerst. Een ander leven. Het nieuwe leven. Dat er uiteindelijk niet kwam. Niet meer zal komen. Omdat er nieuwe metamorfosen kwamen. Misschien ook ten goede, misschien ook niet.



woensdag 13 mei 2026

Beroepsreflectie

 
Thiemo Tausendfarben, “Hommage a Klimt, Adèle”, AI 

Soms denk ik na over het wezen van mijn vak, als psycholoog opnieuw.

Soms vraag ik me af waarom ik psycholoog ben geworden. Is het egoïsme of zelfopoffering? Het verbazende is misschien wel dat egoïsme mijn cliënten vaak meer ten goede komt dan zelfopoffering, dat in wezen weer egoïstisch is. Wil ik het goed doen voor mezelf of daadwerkelijk voor mijn cliënten. En voor wie levert het eigenlijk het meeste op? Ik ben er nog steeds niet uit.

Soms leer ik in gesprekken met cliënten mezelf kennen, voer ik eigenlijk een gesprek met mezelf, alsof ik in een spiegel kijk. 

Een goede therapeutische relatie berust op een bepaalde vorm van gelijkwaardigheid, wat het in wezen natuurlijk nooit kan zijn. Of toch weer wel?

Een goede therapeut is iemand die de zwakheden, gebreken en ondeugden van zijn cliënten rechtvaardigt, en die hun gelijk, talent en verdiensten bevestigt. En daarmee ook zichzelf. Iemand die ze liefdevol ontmaskert, in al hun gebreken, zwakheden en ondeugden.

Wat doet het met een mens als je zo lang zoveel verhalen van ellende hoort? Ook dat!

maandag 11 mei 2026

Dichtlopen

 
Henri Matisse, “naakt in ochtendjas”, 1941


In het kraken van de vroege bla’ren

In het donker van het late licht

In de toenemende afwezigheid 
                                    van wie er ooit waren

Hol ik mijn afstand stilletjes dicht


vrijdag 8 mei 2026

Geen ontkomen aan

 
Door Cajsa Stina Åkerström

Soms hoor ik in mijn vak heftige verhalen. Een dader, een slachtoffer, die elkaar nooit hebben gekend.

Soms probeer ik me voor te stellen hoe hun wegen zich geleidelijk hebben genaderd. In het begin, toen ze nog kinderen waren, waren ze ver van elkaar verwijderd. Zij plukt bloemen voor haar moeder in een weideveld, voor in een vaasje, hij zit honderden kilometers verderop misschien te vissen zijn vader. Later koopt zij een kaartje voor een festival, hij pakt de auto om veel verderop een familielid te bezoeken, die niet thuis blijkt te zijn. Onderweg naar huis pikt hij haar op. Ik zie van bovenaf hoe de lijnen vanuit twee complexe patronen elkaar naderen, kruisen, hoe ze verstrengelen op fatale wijze.

Soms is er geen ontkomen aan.

dinsdag 5 mei 2026

Verzonken keuzes

 
Vilhelm Hammershøi, “Ida in interieur met piano”, 1901

Nog een oortje uit ‘Leven en Lot’, omdat het 5 mei is, en iedereen de wereld weer verdeeld in goed en kwaad. Omdat de Sjoa nooit treffender is beschreven. Vanuit nabijheid en afstand. Over Sturmbahnführer Kaltluft, commandant van een Sondercommando in Auschwitz.

Vroeger woonde hij op de boerderij van zijn ouders en dacht dat hij daar zijn leven zou doorbrengen; hij hield van de rust van het dorp en schuwde het werk niet. Hij droomde van het uitbreiden van zijn vaders bedrijf, maar kon zich niet voorstellen dat hij ooit, hij groot de opbrengsten uit de varkensfokkerij en de handel in koolrapen en tarwe ook waren, hetbrustige, behaaglijke ouderlijk huis zou verlaten. Maar het leven liep anders. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog was hij naar het front gestuurd en daarna was hij de weg gegaan die het lot voor hem had uitgezet. Het lot bleek bepaald te hebben dat hij zijn dorp verliet voor het leger, de loopgraven voor de wacht bij het hoofdkwartier, de administratieve dienst voor een post als adjudant en het apparaat van het Reichssicherheitshauprambt voor de kampadministratie, om tenslotte te worden benoemd tot een Sondercommando in een vernietigingskamp.
Als Kaltluft verantwoording had moeten afleggen voor het hemelse gerecht, zou hij ter rechtvaardiging van zijn ziel naar waarheid hebben verteld hoe het lot hem had gedwongen een beul te worden die vijfhonderdnegentigduizend mensen had vermoord. Wat kon hij beginnen tegen zulke machtige krachten - de wereldoorlog, de ontzaglijke nationalistische beweging, de onverbiddelijke partij, de pressie van de staat? Wie had er tegen de stroom op kunnen zwemmen? Hij was maar een mens, hij was het liefst in het huis van zijn vader blijven wonen. Hij was niet zelf vertrokken, hij was geduwd, het lot had hem als een kleinduimpje bij de hand genomen. En in die termen, of in ongeveer die termen, zouden ook degenen die onder Kaltlufts bevel hadden gestaan en degenen die Kaltluft hadden bevolen, zichzelf gerechtvaardigd hebben voor God.
Maar Kaltluft hoefde zijn ziel niet te rechtvaardigen voor het hemelse gerecht. En daarom hoefde God hem niet te bevestigen dat er geen schuldigen zijn op de wereld.

Het is een conclusie die ik ik mijn werk elke dag weer trek, vanuit nabijheid. Niemand is schuldig. Of anders iedereen. De ene zondaar oordeelt over de andere, zo steekt dit leven in elkaar. Maar het lot is onafwendbaar. De scheidslijn tussen goed en kwaad loopt dwars door de harten van ons mensen. En het lot bepaalt of het meer naar de ene kant dan wel naar andere kant zal schuiven.

Als God probeer ik te kijken naar de mensen, zonder oordeel, met mededogen, vanuit afstand, gedwongen door mijn eigen lot, waarin al mijn keuzes verzinken.

zondag 3 mei 2026

Eén keuze

 
Chaim Soutine, “Capucijnerklooster in Céret”, ca. 1920

Nog maar iets uit Grossman’s “Leven en Lot”. Af en toe loop ik een oortje af. Alles zit erin. Met zo’n boek krijg ik mijn blog wel gevuld.

Over de Russisch-Oekraïense soldaat Chmelkov die als helper in Auschwitz terecht komt. Hij kijkt naar zijn collega helper Zjoetsjenko, die naast hem ligt op zijn brits:

Zjoetsjenko’s handen met de lange dikke vingers die de hermetisch sluitende deuren van de gaskamers dichtdeden, leken altijd vuil te zijn, en het was onprettig brood te pakken uit dezelfde mand als hij. Zjoetjsjenko was gelukkig en opgewonden als hij ‘s ochtends ging werken en terwijl hij stond te wachten op de stoet mensen die kwam aanlopen vanaf het spoor. <…>

Hij kijkt naar zichzelf:

Op een dag in juli 1941 was hij krijgsgevangen gemaakt. Hij was met een geweerkolf op zijn nek en zijn hoofd geslagen, hij had bloedige dysenterie opgelopen, hij was op kapotte laarzen door de sneeuw gejaagd, hij had water met bellen stookolie erin te drinken gekregen, hij had met zijn handen hompen stinkend zwart vlees van een paardenkadaver gescheurd, hij had rotte koolrapen en aardappelschillen gegeten. Hij had maar één keuze gemaakt: hij wilde leven, meer niet. Hij had zich aan tientallen doden ontworsteld, hij wilde niet sterven van honger, kou of bloedige diarree, hij wilde niet neervallen met negen gram metaal in zijn kop, hij wilde niet opzwellen tot zijn hart werd gesmoord in het water dat opsteeg uit zijn benen, hij was een kapper uit de stad Kertsj en niemand had ooit slecht over hem gedacht: noch zijn ouders, noch de buren op het erf, noch zijn bazen op het werk, noch de vrienden met wie hij wijn dronk, gerookte harder at en domino speelde. Maar soms kwam het verschil tussen hen hem volstrekt onbeduidend voor. Wat maakt het voor God uit of voor de mensen met wat voor gevoel ze naar hun werk gingen? De een was vrolijk, de ander niet, maar ze deden hetzelfde werk.

Grossman besluit:

Hij begreep niet dat Zjoetsjenko hem schrik aanjoeg niet omdat hij schuldiger was dan hijzelf, maar omdat diens verschrikkelijke monsterlijke natuur hem verontschuldigde. Terwijl Chmelkov geen monster was, hij was een mens. Hij was er zich vaag van bewust dat een mens die mens wilde blijven onder het facisme een eenvoudigere keuze had dan het redden van zijn leven: de dood.

En dat heeft niks met moralisme te maken.

vrijdag 1 mei 2026

Nummer 30

 
Leonid Pasternak, “De muziekles”, 1909

Ik kom toch nog een terug op de televisieserie “Van de schoonheid en de troost”, uit 2000, vanwege de potentie zal ik maar zeggen. De potentie televisiemaker Wim Kayzer vaak miste, vond ik toen. Maar misschien doe ik hem tekort.

Tegenwoordig kun je alles terugkijken. Ik keek het interview met George Steiner terug. Hij vertelde een anekdote over Pasternak, die hij hoog heeft.

Het is 1937. Het ergste jaar van Stalins Grote Zuivering. In Moskou vindt het schrijverscongres plaats. Sprekers bewieroken Stalin en de triomfen van de Sovjet-Unie. Dan is Pasternak aan de beurt. Pasternak geldt als een groot schrijver. Zjivago is nog niet verschenen. Ze zeiden tegen Pasternak: “Als je iets gaat zeggen zullen ze je arresteren, als je niks zegt zullen ze je ook arresteren, vanwege het cynisme”. 
Pasternak gaat iets zeggen. Het is muisstil. Rijzig groot als hij is, gezeten vlak naast Zjadanov, staat hij op voor de zaal met tweeduizend schrijvers en zegt twee woorden: sonnet 30. Pasternak heeft de sonnetten van Shakespeare op grootse wijze naar het Russisch vertaald. De hele zaal weet dat, de hele zaal staat op, en iedereen declameert Shakespeare’s sonnet nummer 30, uit het hoofd.

When I summon up remembrance of things past.

Zoiets kan alleen in Rusland. Er lijkt weinig veranderd.

Hieronder de vertaling van Peter Verstegen, omdat ik het niet beter kan:

Als ik voor ’t hof van tedere gedachten
Herinneringen aan vroeger tijd ontbied,
Smart mij ’t gemis van veel waar ik naar smachtte,
Voel ik de pijn van tijd verdaan om niet.

Dan smelt mijn oog dat lang droogstond weer
Om lieve vrienden in Doods eeuwge nacht,
Ik treur om liefdespijnen van weleer
En ween om smart die wat teloorging bracht.

Dan lijd ik weer om leed van vroeger dagen,
Met zwaar hart tel ik pijn en pijn tezaam
Tot droeve som van al mijn vroeger klagen

Die ‘k moet voldoen als was zij nooit voldaan.
Maar, lieve vriend, zie ‘k dan jouw beeld voor mij,
Is het verlies hersteld, het leed voorbij.