Labels

zondag 24 mei 2026

Schuld

 
Edvard Munch, 1913-1914

Ik doe de boodschappen. Ieder zijn taken in het leven.

Tegenwoordig moet je producten scannen, als je jezelf nog voor vol aan wil zien. Vandaag van ik twee items vergeten. Items noemen ze dat, twee blikjes tomatenblokjes van 65 cent ieder. Daar sta je dan, voor zo’n meisje. Uitleggen dat je die vergeten was, terug was gelopen, blijkbaar niet meer gescand. En plots voel ik me diep schuldig. Het had zeker een uur nodig voor het wegtrok.

Schuldgevoel is toch iets merkwaardigs. Niemand is schuldig zegt de psycholoog. Iedereen is schuldig, zei Stalin. Iedereen kan naar de Goelag worden gestuurd. Even voelde dat zo. Een soort oergevoel dat van generatie op generatie door ons reptielenbrein wordt doorgegeven. Je komt er nooit vanaf en iedereen laat zich erdoor misbruiken. Wordt klein. Gedwee. Een beetje bang zelfs. Zoals ik in de winkel bij het meisje.
Een allervriendelijkst meisje overigens, die er verder geen punt van maakte. Maar het geeft me toch te denken.

zaterdag 23 mei 2026

Enkelvoud

 
Carl Hans Schrader-Velgen (1846-1945), ca. 1920


Scheppend kunstenaar

Naarmate ik ouder word, 
wordt, wat ik schrijf, hoewel fraaier verwoord, 
steeds enkelvoudiger van inhoud: 
liefde (of geen liefde), 
en ouder worden, 
en dan de Dood.

Gerard Reve, 1973

Zo had ik het vandaag willen zeggen. Soms lees ik wat terug in mijn blogs, soms met voldoening, soms minder. Vandaag las ik wat terug in mijn blogs en ik dacht: zo had ik het willen zeggen, zoals Gerard.

Ik weet niet of Gerard zijn gedichten ooit teruglas. Later in zijn leven, ‘s-ochtends vroeg, in de zon op een terras. Ook Gerard schreef wel mindere gedichten. Maar zijn toon bleef dezelfde. Vanaf het allerbegin.

vrijdag 22 mei 2026

Aandrang tot schrijven

 


“Bomans is een groot schrijver. Je mag het alleen niet zeggen”, schreef Simon Carmiggelt.

Ik lees dat in het voorwoord van Joost Prinsen bij een bundeltje essays van Bomans, door Prinsen hoogstpersoonlijk samengesteld. Prachtig gebonden, met leeslint. Ik kocht het voor 5,50, hetgeen aangeeft dat er nog niet veel lijkt veranderd. Boeken van Bomans hoeven nog steeds niks te kosten, voor wie een beetje op internet zoekt. Die van Carmiggelt trouwens ook niet.

Over het schrijven zei Bomans: “Wantrouw elke aandrang tot schrijven, behalve de vreugde van het formuleren.” En wat verder: “de beloning van het schrijven zit hem niet zozeer in de beloning van de uitgever (want die is te verwaarlozen), maar in de enorme voldoening die u hebt als u, na lang zoeken, dat wat u wilt zeggen, geformuleerd hebt, zodat de huid van het woord strak om het begrip zit.” Dat is iets wat ik herken en wat misschien wel aan de basis ligt van mijn eigen aandrang tot schrijven.

Prinsen liet zijn bundeltje met Bomans essays verschijnen in 2021. Hij was er jaren mee bezig geweest. Nu is ook hij dood en lijkt er niemand meer over om het voor Bomans op te nemen. Laat ík het dan maar een beetje doen. Misschien moet ik ook maar weer eens een paar van zijn sprookjes herlezen, die ik rond mijn twintigste niet vond onderdoen voor Hans Christiaan Andersen. Dat lijkt me een mooi compliment.

dinsdag 19 mei 2026

Ben gerust

 
Oskar Moll, “Naakt met een waaier”, 1924

Ben gerust,
Niemand is sterk
                            of heeft de kracht,
Niemand heeft alles
                               of zelfs maar genoeg
Niemand heeft een echte vriend
                                     of iemand die het snapt,
Niemand is bijzonder
                                   of ze doen alleen alsof,
Alles is onzin
                                 of anders wel pedant,

En dat is alles wat je moet weten,

Het enige dat je helpt,

                        of in elk geval een beetje.


vrijdag 15 mei 2026

Geluk van het moment

 
Dora Wahlroos, “Avond in Parainen”, 1898, 80 x 125 cm, K.H. Renlund Museum Kokkola

Dora Wahlroos was een Fins kunstschilderes (1870-1947). Ze volgde haar man Emil Wikström (1864-1942) in 1891 naar Parijs, waar ze samen studeerden aan de Academie Julian.Wikström echter was haar vaak ontrouw, zoals dat gaat wanneer je vaak met naaktmodellen werkt, denk ik dan. In 1895 keerden ze terug naar Finland en lieten zich daar scheiden. Wikström hertrouwde kort daarna met hun gezamenlijke vriendin Alice Högström (1863-1959), hetgeen bij Dora een diep spoor van wantrouwen achterliet.

In 1900 ging Dora opnieuw naar Parijs omdat ze er enkele werken exposeerde op de Wereldtentoonstelling. In augustus reisde ze door naar Italië, waar haar landgenote Elin Danielson-Gambogi (1861-1919) woonde, de meest getalenteerde Fins kunstschilderes van haar generatie. Dora werd verliefd op haar man Raffaello Gambogi (1874-1943). Ze kregen een intense verhouding, waardoor Elin depressief werd. Uiteindelijk hielde de relatie tussen Dora en Rafaello geen stand, maar de psychische problemen bij Elin zouden nooit meer verdwijnen.

Een  levensverhaal in een notendop, eigenlijk een een roman waardig. Wat gij niet wilt…

Ik pik er een schilderij van Dora uit vandaag, wellicht haar mooiste. Xx. Ik zie eenvoudige mensen in het geluk van het moment. Zoals het altijd zou moeten zijn. Maar niet altijd is. Op zoek naar het geluk van het moment berokkenen mensen veel schade. Het mooie meisje vooraan kijkt de toeschouwer recht aan. Wie is haar toeschouwer?  Wie mag met haar dansen? Wie kan zo’n meisje weerstaan? 

Wat moet Dora gedacht hebben toen ze dit tafereel schilderde, 1898.

donderdag 14 mei 2026

Metamorfosen

 
Ignatio Zuloaga, “Madame Souty rustend op de sofa”, 1921

Het naakt van Ignatio Zuloaga kijkt me recht in de ogen, brengt me terug in de tijd, brengt naar brengt me naar Olympia, naar Maya, naar mijn vroege puberteit.

Toen ik veertien was kocht ik in korte tijd de eerste drie albums van Roxy Music. Mijn moeder vond het allemaal ordinair, hoe Ferry en consorten eruit zagen, maar ook de hoezen. Ik legde er altijd een andere hoes bovenop wanneer ik een van deze albums op de draaitafel had liggen. Wat vaak was want Roy Music was ooit een game changer in mijn kunstbeleving. Niet alleen muzikaal. Later realiseerde ik me dat ook met betrekking tot de beeldende kunst. De hoezen lieten me zien dat er een andere wereld bestond. Dat ik kind zijn voorbij was. Kari-Ann Müller keek me vanaf de hoes van het debuutalbum recht in de ogen en maakte mijn eerste metamorfose compleet. Dit was mijn kijk op het leven. Het had iets artificieels, in een overtrokken elegantie, verwant aan decadentie, maar het zei toch ook iets over de kijk op het leven, hoe ik wilde zijn in weerwil van mijn ouders. Ik voelde iets van trots, inzicht, mededogen, eenzaamheid, Nietzsche’s kardinale deugden, voor het eerst. Een ander leven. Het nieuwe leven. Dat er uiteindelijk niet kwam. Niet meer zal komen. Omdat er nieuwe metamorfosen kwamen. Misschien ook ten goede, misschien ook niet.



woensdag 13 mei 2026

Beroepsreflectie

 
Thiemo Tausendfarben, “Hommage a Klimt, Adèle”, AI 

Soms denk ik na over het wezen van mijn vak, als psycholoog opnieuw.

Soms vraag ik me af waarom ik psycholoog ben geworden. Is het egoïsme of zelfopoffering? Het verbazende is misschien wel dat egoïsme mijn cliënten vaak meer ten goede komt dan zelfopoffering, dat in wezen weer egoïstisch is. Wil ik het goed doen voor mezelf of daadwerkelijk voor mijn cliënten. En voor wie levert het eigenlijk het meeste op? Ik ben er nog steeds niet uit.

Soms leer ik in gesprekken met cliënten mezelf kennen, voer ik eigenlijk een gesprek met mezelf, alsof ik in een spiegel kijk. 

Een goede therapeutische relatie berust op een bepaalde vorm van gelijkwaardigheid, wat het in wezen natuurlijk nooit kan zijn. Of toch weer wel?

Een goede therapeut is iemand die de zwakheden, gebreken en ondeugden van zijn cliënten rechtvaardigt, en die hun gelijk, talent en verdiensten bevestigt. En daarmee ook zichzelf. Iemand die ze liefdevol ontmaskert, in al hun gebreken, zwakheden en ondeugden.

Wat doet het met een mens als je zo lang zoveel verhalen van ellende hoort? Ook dat!

maandag 11 mei 2026

Dichtlopen

 
Henri Matisse, “naakt in ochtendjas”, 1941


In het kraken van de vroege bla’ren

In het donker van het late licht

In de toenemende afwezigheid 
                                    van wie er ooit waren

Hol ik mijn afstand stilletjes dicht


vrijdag 8 mei 2026

Geen ontkomen aan

 
Door Cajsa Stina Åkerström

Soms hoor ik in mijn vak heftige verhalen. Een dader, een slachtoffer, die elkaar nooit hebben gekend.

Soms probeer ik me voor te stellen hoe hun wegen zich geleidelijk hebben genaderd. In het begin, toen ze nog kinderen waren, waren ze ver van elkaar verwijderd. Zij plukt bloemen voor haar moeder in een weideveld, voor in een vaasje, hij zit honderden kilometers verderop misschien te vissen zijn vader. Later koopt zij een kaartje voor een festival, hij pakt de auto om veel verderop een familielid te bezoeken, die niet thuis blijkt te zijn. Onderweg naar huis pikt hij haar op. Ik zie van bovenaf hoe de lijnen vanuit twee complexe patronen elkaar naderen, kruisen, hoe ze verstrengelen op fatale wijze.

Soms is er geen ontkomen aan.

dinsdag 5 mei 2026

Verzonken keuzes

 
Vilhelm Hammershøi, “Ida in interieur met piano”, 1901

Nog een oortje uit ‘Leven en Lot’, omdat het 5 mei is, en iedereen de wereld weer verdeeld in goed en kwaad. Omdat de Sjoa nooit treffender is beschreven. Vanuit nabijheid en afstand. Over Sturmbahnführer Kaltluft, commandant van een Sondercommando in Auschwitz.

Vroeger woonde hij op de boerderij van zijn ouders en dacht dat hij daar zijn leven zou doorbrengen; hij hield van de rust van het dorp en schuwde het werk niet. Hij droomde van het uitbreiden van zijn vaders bedrijf, maar kon zich niet voorstellen dat hij ooit, hij groot de opbrengsten uit de varkensfokkerij en de handel in koolrapen en tarwe ook waren, hetbrustige, behaaglijke ouderlijk huis zou verlaten. Maar het leven liep anders. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog was hij naar het front gestuurd en daarna was hij de weg gegaan die het lot voor hem had uitgezet. Het lot bleek bepaald te hebben dat hij zijn dorp verliet voor het leger, de loopgraven voor de wacht bij het hoofdkwartier, de administratieve dienst voor een post als adjudant en het apparaat van het Reichssicherheitshauprambt voor de kampadministratie, om tenslotte te worden benoemd tot een Sondercommando in een vernietigingskamp.
Als Kaltluft verantwoording had moeten afleggen voor het hemelse gerecht, zou hij ter rechtvaardiging van zijn ziel naar waarheid hebben verteld hoe het lot hem had gedwongen een beul te worden die vijfhonderdnegentigduizend mensen had vermoord. Wat kon hij beginnen tegen zulke machtige krachten - de wereldoorlog, de ontzaglijke nationalistische beweging, de onverbiddelijke partij, de pressie van de staat? Wie had er tegen de stroom op kunnen zwemmen? Hij was maar een mens, hij was het liefst in het huis van zijn vader blijven wonen. Hij was niet zelf vertrokken, hij was geduwd, het lot had hem als een kleinduimpje bij de hand genomen. En in die termen, of in ongeveer die termen, zouden ook degenen die onder Kaltlufts bevel hadden gestaan en degenen die Kaltluft hadden bevolen, zichzelf gerechtvaardigd hebben voor God.
Maar Kaltluft hoefde zijn ziel niet te rechtvaardigen voor het hemelse gerecht. En daarom hoefde God hem niet te bevestigen dat er geen schuldigen zijn op de wereld.

Het is een conclusie die ik ik mijn werk elke dag weer trek, vanuit nabijheid. Niemand is schuldig. Of anders iedereen. De ene zondaar oordeelt over de andere, zo steekt dit leven in elkaar. Maar het lot is onafwendbaar. De scheidslijn tussen goed en kwaad loopt dwars door de harten van ons mensen. En het lot bepaalt of het meer naar de ene kant dan wel naar andere kant zal schuiven.

Als God probeer ik te kijken naar de mensen, zonder oordeel, met mededogen, vanuit afstand, gedwongen door mijn eigen lot, waarin al mijn keuzes verzinken.

zondag 3 mei 2026

Eén keuze

 
Chaim Soutine, “Capucijnerklooster in Céret”, ca. 1920

Nog maar iets uit Grossman’s “Leven en Lot”. Af en toe loop ik een oortje af. Alles zit erin. Met zo’n boek krijg ik mijn blog wel gevuld.

Over de Russisch-Oekraïense soldaat Chmelkov die als helper in Auschwitz terecht komt. Hij kijkt naar zijn collega helper Zjoetsjenko, die naast hem ligt op zijn brits:

Zjoetsjenko’s handen met de lange dikke vingers die de hermetisch sluitende deuren van de gaskamers dichtdeden, leken altijd vuil te zijn, en het was onprettig brood te pakken uit dezelfde mand als hij. Zjoetjsjenko was gelukkig en opgewonden als hij ‘s ochtends ging werken en terwijl hij stond te wachten op de stoet mensen die kwam aanlopen vanaf het spoor. <…>

Hij kijkt naar zichzelf:

Op een dag in juli 1941 was hij krijgsgevangen gemaakt. Hij was met een geweerkolf op zijn nek en zijn hoofd geslagen, hij had bloedige dysenterie opgelopen, hij was op kapotte laarzen door de sneeuw gejaagd, hij had water met bellen stookolie erin te drinken gekregen, hij had met zijn handen hompen stinkend zwart vlees van een paardenkadaver gescheurd, hij had rotte koolrapen en aardappelschillen gegeten. Hij had maar één keuze gemaakt: hij wilde leven, meer niet. Hij had zich aan tientallen doden ontworsteld, hij wilde niet sterven van honger, kou of bloedige diarree, hij wilde niet neervallen met negen gram metaal in zijn kop, hij wilde niet opzwellen tot zijn hart werd gesmoord in het water dat opsteeg uit zijn benen, hij was een kapper uit de stad Kertsj en niemand had ooit slecht over hem gedacht: noch zijn ouders, noch de buren op het erf, noch zijn bazen op het werk, noch de vrienden met wie hij wijn dronk, gerookte harder at en domino speelde. Maar soms kwam het verschil tussen hen hem volstrekt onbeduidend voor. Wat maakt het voor God uit of voor de mensen met wat voor gevoel ze naar hun werk gingen? De een was vrolijk, de ander niet, maar ze deden hetzelfde werk.

Grossman besluit:

Hij begreep niet dat Zjoetsjenko hem schrik aanjoeg niet omdat hij schuldiger was dan hijzelf, maar omdat diens verschrikkelijke monsterlijke natuur hem verontschuldigde. Terwijl Chmelkov geen monster was, hij was een mens. Hij was er zich vaag van bewust dat een mens die mens wilde blijven onder het facisme een eenvoudigere keuze had dan het redden van zijn leven: de dood.

En dat heeft niks met moralisme te maken.

vrijdag 1 mei 2026

Nummer 30

 
Leonid Pasternak, “De muziekles”, 1909

Ik kom toch nog een terug op de televisieserie “Van de schoonheid en de troost”, uit 2000, vanwege de potentie zal ik maar zeggen. De potentie televisiemaker Wim Kayzer vaak miste, vond ik toen. Maar misschien doe ik hem tekort.

Tegenwoordig kun je alles terugkijken. Ik keek het interview met George Steiner terug. Hij vertelde een anekdote over Pasternak, die hij hoog heeft.

Het is 1937. Het ergste jaar van Stalins Grote Zuivering. In Moskou vindt het schrijverscongres plaats. Sprekers bewieroken Stalin en de triomfen van de Sovjet-Unie. Dan is Pasternak aan de beurt. Pasternak geldt als een groot schrijver. Zjivago is nog niet verschenen. Ze zeiden tegen Pasternak: “Als je iets gaat zeggen zullen ze je arresteren, als je niks zegt zullen ze je ook arresteren, vanwege het cynisme”. 
Pasternak gaat iets zeggen. Het is muisstil. Rijzig groot als hij is, gezeten vlak naast Zjadanov, staat hij op voor de zaal met tweeduizend schrijvers en zegt twee woorden: sonnet 30. Pasternak heeft de sonnetten van Shakespeare op grootse wijze naar het Russisch vertaald. De hele zaal weet dat, de hele zaal staat op, en iedereen declameert Shakespeare’s sonnet nummer 30, uit het hoofd.

When I summon up remembrance of things past.

Zoiets kan alleen in Rusland. Er lijkt weinig veranderd.

Hieronder de vertaling van Peter Verstegen, omdat ik het niet beter kan:

Als ik voor ’t hof van tedere gedachten
Herinneringen aan vroeger tijd ontbied,
Smart mij ’t gemis van veel waar ik naar smachtte,
Voel ik de pijn van tijd verdaan om niet.

Dan smelt mijn oog dat lang droogstond weer
Om lieve vrienden in Doods eeuwge nacht,
Ik treur om liefdespijnen van weleer
En ween om smart die wat teloorging bracht.

Dan lijd ik weer om leed van vroeger dagen,
Met zwaar hart tel ik pijn en pijn tezaam
Tot droeve som van al mijn vroeger klagen

Die ‘k moet voldoen als was zij nooit voldaan.
Maar, lieve vriend, zie ‘k dan jouw beeld voor mij,
Is het verlies hersteld, het leed voorbij.

dinsdag 28 april 2026

Oog voor detail

 
Botticelli, detail uit “Madonna met de granaatappel “, 1487

In de laatste twintig jaar van zijn leven schilderde Botticelli, geholpen door zijn leerlingen en medewerkers, tientallen madonna’s, vooral ook omdat daar veel vraag naar was. Madonna met de granaatappel maakte hij in opdracht van Massai di Camera Magistrates, later kwam in terecht in de kunstverzameling van Leopoldo di Medici en sinds 1780 bevindt het zich nu in het Uffizi te Florence. De granaatappel symboliseert geboorte, dood en wedergeboorte, door de zaden die het in zich draagt. Net als het menselijk hart heeft de granaatappel meerdere asymmetrische kamers. Kennis over de werking en functies van die cordiale kamers was in de tijd van Botticelli sterk in ontwikkeling. Het Jesuskind houdt de granaatappel, ondersteund door de linkerhand van Maria, precies voor zijn hartje.

Opvallend is dat Botticelli Madonna en kind wel weer symmetrisch laat flankeren door drie engelen aan weerszijden, de middelste met een boek. Ik wordt vooral aangetrokken door de middelste engel rechts, die ons recht aankijkt. Zo’n starende blik naar de toeschouwer was nieuw in de schilderkunst van die tijd, en riep soms ook weerstand op: de geportretteerde drinkt direct door in je persoonlijke levenssfeer. Zo ook deze engel, die met zijn gedachten ergens nders lijkt te zitten en ons iets lijkt te willen zeggen. Mij iets wil zeggen. Ik zou het hem willen vragen, maar zijn woorden zijn verstomd. En toch heb ik het gevoel iets te begrijpen. Een detail zegt vaak meer dan het totaal. Daar ben ik psycholoog voor geworden. Daarom ben ik zo’n liefhebber van Botticelli. Daarom houd ik van kunst.


Het volledige werk, bewaard gebleven in de originele lijst

maandag 27 april 2026

Vandalen

 


Het is koningsdag. De koning en zijn gevolg zijn in Dokkum en dan denk ik weer terug aan de geschiedenisles van meester Zegveld. Bonifatius bij Dokkum vermoord.

Ik zoek een schoolplaat van de moord op Bonifatius, maar stuit vooral op afbeeldingen van het moment waarop hij in 723 de heilige Donareik omhakt, om aan de heidenen te bewijzen dat er niets gebeurt, waar rampspoed werd verwacht. Het moet een enorme boom zijn geweest.

Ik krijg ineens een bijzondere associatie. In de vroege ochtend van 28 september werd in Nothhumberland, bij de muur van Hadrianus, de wereldberoemde Sycamore Gap tree, ook wel Robin Hood-boom, door twee jonge vandalen omgezaagd. Dit leidde tot een wereldwijde verontwaardiging.

Ik kan me niet goed voorstellen dat de Germanen indertijd ook niet verontwaardigd zijn geweest. Bonifatius had ook gewoon kunnen zeggen dat het onzin was wat ze geloofden. Blijkbaar is er soms toch iiets meer nodig om de boel in beweging te krijgen, moet hij gedacht hebben. Maar de boemerang komt altijd terug, ook dat heeft hij ervaren. Maar leerde ik al van meester Zegveld.

De koning kapt geen bomen. De koning is een jager. Dat maakt hem geen vandaal, maar ook die boemerang zal een keer terugkomen. De geschiedenis heeft een lang geheugen.




zondag 26 april 2026

Geen van ons

 
Egon Schiele, “Krumau - Bogen van de huizen, de kleine stad”, 1915

Ik lees weer Leven en Lot van Vasili Grossman, die schrijft over antisemitisme.

Antisemitisme is een uitdrukking van het gebrek aan bewustzijn van de massa’s, die niet in staat zijn de oorzaken van hun eigen nood en ellende te doorzien. Onontwikkelde mensen leggen de schuld voor hun ellende bij de Joden, in plaats van bij de staat of de maatschappijstructuur.

Of in plaats van bij zichzelf, denk ik dan. 

Tot aan de Tweede Wereldoorlog bleven mensen redelijk op hun plek wonen. Binnen naties waartoe ze behoorden. Alleen Joden waren anders, een ander volk, soms met eigen structuren, niet van de onzen. Tegenwoordig zijn het niet alleen de Joden meer. Maar het credo “geen van ons” doet nog altijd opgeld. Dat lijkt zelfs evolutionair bepaald, heeft een functie gehad in het voortbestaan van onze soort. Van onze groep. Wij mensen zijn groepswezens en in de kern is dat de oorzaak van alle ellende op de wereld, zal het ook altijd blijven en bij de huidige migratiemogelijkheden en beschikbare middelen tot destructie zal het alleen maar erger worden.

Het zijn niet alleen mijn cliënten die vaak doemdenken. Je moet er alleen niet je dag door laten bederven.

donderdag 23 april 2026

Trots op Truus

 


Nog even over de roaring twenties. Van het een komt het ander.

Truus van Aalten was dochter van een drogist uit Arnhem, later Amsterdam. Als kind was ze al helemaal in de ban van de stomme film, die toen net opgang maakte. Ze verzamelde fanatiek fototijdschriften, ansichtkaarten van filmsterren, en op 14 jarige leeftijd mat ze zich al een bopkapsel aan, hetgeen toen net nieuw was en gold als vrijgevochten. In werkte 1926 bij Peek & Cloppenburg te Amsterdam, maar toen ze in de krant las dat de Duitse filmmaatschappij UfA meisjes uit diverse Europese landen zocht voor filmrollen solliciteerde ze direct, werd aangenomen, maakte direct al grote indruk en schitterde vervolgens jarenlang in vooral komische Duitse filmproducties. Na de oorlog werd ze in de Nederlandse filmwereld genegeerd vanwege haar eerdere werk in het land van de agressor. In 1999 stierf ze vergeten in een tehuis voor dementerenden.

Dat over Truus. Voor nu werd ik vooral gefascineerd door de foto van Alexander Binder, die in oktober 1928 ook in geanimeerde vorm op de cover van Das Leben prijkte, hét geïllustreerde tijdschrift voor de welgestelde, hoogopgeleide Berlijnse upperclass-class in de tijd. Het zou ook de omslag mogen zijn van het boek dat ik over haar zou willen schrijven, waarvan ik niet weet of het er ooit van zal komen. Maar de plaatjes zijn sowieso meer dan voldoende voor mijn blog van vandaag. Laten we een beetje trots zijn op haar, honderd jaar na dato.




dinsdag 21 april 2026

Een platonische echo

 
Jan Wiegers, “Music Hall”, 1921/jaren vijftig, 100 x 82,5 cm, Groninger Museum

In 2008 werd bij Sotheby’s een schilderij van De Ploeg-schilder Jan Wiegers (1893-1959) geveild voor het recordbedrag van  216.750 euro. Het doek werd gedateerd op 1921: the roaring twenties in het Groningse uitgaansleven. Niet gek dat het Groninger Museum indertijd overwoog om mee te dingen, maar op advies van De Ploeg-kenner Han Steenbruggen zag het daar vanaf. Steenbruggen zag met het blote oog, mede op basis ook van het verfgebruik, dat het schilderij uit een latere Wiegers-periode stamde. Ook kende hij een foto van een vergelijkbaar schilderij van Wiegers uit de jaren twintig, dat verloren werd gewaand (of vernietigd, wat Wiegers wel vaker deed). Sotheby’s wilde niet meewerken aan een nader onderzoek, omdat dat de prijs alleen maar zou doen devalueren. De Rotterdamse kunstverzamelaar die het aankocht lijkt dan ook onwetend te zijn geweest over de gerezen twijfels. 

Uiteindelijk kreeg Steenbruggen natuurlijk toch gelijk: na röntgenonderzoek bleek dat het oorspronkelijke, verloren gewaande werk zich onder het geveilde schilderij bevond: er was in de jaren vijftig door Wiegers gewoon overheen geschilderd. Volgens de Groningse kunsthandelaar Richard ter Borg, ook een Ploeg-kenner, veranderde het schilderij daarmee tot een “echo van een revolutie” en zou de marktwaarde daardoor gedaald zijn tot ergens tussen de 60.000 en de 100.000 euro, ook al was de tweede versie nog zoveel mooier uitgewerkt en ontwikkeld. De kunsthandel steekt vreemd in elkaar. in 2011 werd het schilderij alsnog door het Groninger Museum verworven, ik neem aan van die Rotterdamse kunstverzamelaar, eerst in bruikleen, later verworven, geen idee voor hoeveel. Ik zou er nog steeds 216.750 euro voor willen betalen. Wiegers heeft een wijs besluit genomen, een platonische uitwerking doe mij nog altijd bereikt.


Foto van het “originele” onderliggende schilderij


zondag 19 april 2026

Sorolla’s zin des levens

 


De Spaanse kunstschilder Joaquin Sorolla (1863-1923) en zijn vrouw Clothilde García del Castillo (1865-1929) zijn hun leven lang vrijwel nooit van elkaars zijde geweken. Ze kenden elkaar al van jongsaf, Joaquin studeerde met de broer van Clothilde aan de kunstacademie van Valencia, en beiden wisten al vroeg dat ze tot elkaar voorbestemd waren. Ze zouden nooit meer van elkanders zijde wijken. Toen Joaquin in 1909 in New York exposeerde reisde hij met de hele familie - ze hadden twee dochters en een zoon - naar Amerika. Talloze keren zou hij Clothilde als zijn muze portretteren. In 1906 maakte hij zeventien portretten van familie en verkenden, waaronder het hier getoonde indrukwekkende portret van Clothilde. Na zijn dood zou Clothilde het Sorolla-museum openen in Madrid.

Het is mooi als je het kunstenaarschap en daarmee je leven in dienst kunt stellen van de liefde. De liefde voor je naasten en het geluk daar goed voor te kunnen zorgen is alles wat telt in het leven. Ik denk soms dat dat het enige is wat belangrijk is. Het enige dat een man najaagt, de zin des levens, evolutionair bepaalt, bij een vrouw wellicht in een iets andere zin, maar in wezen niet anders. Soms zie ik het ook, ineens, bij Sorolla bijvoorbeeld, soms ook bij mezelf. Hoewel het natuurlijk altijd lastig blijft om alles bij voortduring te ervaren. Hoewel grote liefde natuurlijk ook angsten oproept. Hoewel elke liefde ook soms ongeluk brengt. Hoewel…

Maar misschien projecteer ik teveel. Ik kan natuurlijk nooit precies weten hoe Joaquin het heeft ervaren, en Clothilde. 

Maar vandaag wil ik daar niet aan denken. Vandaag voel ik hun liefde.


,
Joaquin Sorolla, “Clothilde in zwarte jurk”, 1906, 187 x 119 cm,
Metropolitan Museum of Art, New York

donderdag 16 april 2026

Het goede

 
Picasso, “Blauw naakt”, 1902

De meeste mensen op aarde doen nooit een poging “het goede” te definiëren. Wat is het goede? Goed voor wie? Bestaat er een algemeen concept van het goede, toepasbaar op alle mensen, alle volkeren, alle levensomstandigheden? Of bestaat het goede voor mij in het kwade voor jou, het goede voor jouw volk in het kwade voor mijn volk? Is het goede eeuwig en onveranderlijk? Of is wat gisteren goed was vandaag slecht en is het kwaad van gisteren het goede van vandaag?

Vasili Grossman geeft in ‘Leven en lot’ een hoofdstuk-lange beschouwing over de notie van goed en kwaad. Maar de huidige wereldleiders lezen zulke boeken niet. En daarom zal er nooit iets veranderen. Grossman ziet alleen goedheid in alledaagse handelingen. De oude vrouw die een krijgsgevangene een stuk brood brengt. De goedheid van een soldaat die een gewonde vijand uit zijn velerlei laat drinken. De goedheid van een boer die een Jood op zolder verstopt.

Ik heb een mooi vak, denk ik dan. Ik probeer mensen te helpen. Omdat ik niet anders kan, en zonder dat me dat een goed mens maakt. De wereld ga ik niet meer veranderen.

dinsdag 14 april 2026

Lente licht

 
Carl Larsson, “Lisbeth bij de berkenboom “, 1910

Lente licht
Groener dan groen
Lengende dagen
Beginnersseizoen
Het lopen weer lichter
Een schonere schoen
Drukt alles wat zachter
En mooier als toen
Lijkt alles te wachten
In drukte te doen
De vogeltjes fluiten
Ik geef je een zoen


maandag 13 april 2026

Sonja’s vertier

 


Sonja is dood. Ik dacht ooit dat ze altijd dezelfde zou blijven, mooi als ze was, maar de spaarzame keren dat ze in de afgelopen jaren op televisie verscheen zag ik al dat ook zij er niet aan zou ontkomen.

Sonja is dood. Ze heeft nooit geweten wie ik was, maar toch maakt ze een beetje deel uit van mijn leven. Alleen heeft ze daar niks meer aan. En ik wellicht nog minder.

David Foster Wallace beargumenteert dat het vertier dat we kiezen en de soort afleiding die we zoeken alles zegt over wie we zijn. Want alles is afleiding, uiteindelijk van de dood..

Sonja is dood. Er zijn weer nieuwe Sonja’s. Nieuwe oorlogen. Nieuwe seizoenen. Ander vertier. Jongeren die haar nooit gekend hebben en daar nooit om zullen malen.

Ik maal om het voorbijgaan der dingen. Goede levens, slechte levens. Lange en korte. Alles stroomt. En de rest is afleiding. Wat blijft toch steeds te weinig. Dat ze mooi was misschien. Gratieus. Als een danseres.

Wie ben ik om haar te gedenken?

zondag 12 april 2026

Opnieuw beginnen


Richard Maury, 2003

Je kunt altijd opnieuw beginnen,
Hoe vreemd,
Hoe bijzonder
          En hoe hoopvol

Je loopt wat door de tuin
Snoeit de rozen
En ze schieten andermaal uit

Ik loopt over straat
In de lage zon
Kinderen fietsen vanuit het tegenlicht op je af
En ik hoor ze kwebbelen

Je draait je om
maakt lange schaduwen
Groet de mensen
Je maakt deel uit van het leven
En morgen is er weer zo’n dag

Je trouwde ooit met de dochter
Blijft bij elkaar
En straks trouwt wellicht een zoon
Wie weet

Alles kan
Iemand begint een oorlog
Tien punten voor de vrede
Verdwijnen in de lentezon
Het leed dat is geweest
Zal weer verdwijnen in de lentezon

Je opent een nieuwe pagina
Typt een paar woorden
Geïnspireerd door de zon der lente
Je begint altijd met niks
En eindigt met een gedicht
       of wat woorden

We maken woorden
Uit het geruis van de bomen
We zijn er gewoon
Op alweer een nieuwe dag
We zijn deel van het leven
Als een schaduw voor het zonlicht

Je kunt altijd opnieuw beginnen,
Hoe vreemd,
Hoe bijzonder
          En hoe hoopvol

vrijdag 10 april 2026

Historiezucht




Mijn eerste geschiedenislessen kreeg ik eind jaren zestig van meester Zegveld, die zo beelden kon vertellen. Later heb ik nog ooit archeoloog willen worden, of geschiedenisleraar, een onderwijzer die alle verhalen kende. Het is er allemaal niet van gekomen, maar de historiezucht is gebleven.

Meester Zegveld werkte met de schoolplaten van Isings, die na al die jaren nog steeds een snaar kunnen raken bij mij. Eén van die platen was Brabants dorp in de vijftiende eeuw, een van Isings’ laatste. Het zou Leende zijn geweest, volgens de meester, met Kasteel Heeze wat dichterbij gehaald. We zien een ridder, edelen, verschillende ambachten en bezigheden, zoals houthakkers, een marskramer, een herder met zijn kudde schapen.

Het helpt niet om de schoolplaat te beschrijven als het gaat om wat het nog steeds met me doet. Het is niet de vijftiende eeuw die voorbij voelt, maar voor mij de jaren zestig, resonerend in de decennia eraan voorafgaand. Het geschiedenisonderwijs is niet meer wat het geweest is. Maar ik ben nog steeds dezelfde. Terug in de tijd, een eerder leven.

Alles herhaalt zich. Ik ben weer negen en mijn leven moet nog beginnen.

dinsdag 7 april 2026

Verre gelijkenis

 


Het is tweede paasdag, mooi weer, we zitten buiten met een drankje. Ik heb een grote kast vol kunstboeken. Ik loop naar binnen, pak er eentje uit en blader wat in het zonnetje. Anders heb je ook niks aan die kunstboeken. En dan krijg ik niet meer verantwoord om er nog meer aan te schaffen.

Ik kijk naar een werk van Roy Lichtenstein en ik zie Botticelli, Venus. Ik hoef niet lang te denken waar mijn voorkeur naar uitgaat. Al zou ik Lichtenstein eerder in mijn kamer hangen dan Botticelli. Als reproductie dan, maar bij Liechtenstein maat dat zoveel niet uit.

Gewoon, omdat het leuk is de twee beelden even naast elkaar te zetten. Omdat ze nog mooier zijn in close-up. Omdat ik me ook wel eens kunstliefhebber noem, voor wat dat ook waard zij.

Omdat het een mooie dag is.




maandag 6 april 2026

Voor de spiegel

 
Adolf Münzer, “Vor den Spiegel”, 184 x 151 cm, 1907, Museum Kunstpalast, Düsseldorf

Notariszoon Adolf Münzer (1870-1953) was een Duits kunstschilder, opgeleid aan de Kunstacademie van München, aanvankelijk vooral bekend als grafisch illustrator voor Jugendstill tijdschriften als Jugend en Simplicissimus, lid van kunstenaarsvereniging Scholle, voornamelijk werkzaam in München.

In 1903 leerde Münzer te München Marie-Thérèse Dreeßen kennen, geboren von Vestenhof (1878–1958), die zijn model en minnares werd. Dreeßen was echter getrouwd en liet zich bij naakten alleen portretteren zonder haar gezicht te tonen, vaak in ‘Rückenansicht’. Toen Münzer in 1907 zijn schilderij Vor dem Spiegel tentoonstelde bij Galerie Brackl, werd ze evenwel toch herkend, hetgeen tot een schandaal leidde, eindigend in een scheiding met haar man. Een jaar later zou ze met Münzer trouwen en vertrokken ze naar Düsseldorf, war Münzer hoogleraar werd aan de Kunstacademie. In de Hitler-tijd was hij nauw betrokken bij het organiseren van meerdere edities van de Große Deutsche Kunstausstellung, waar alleen door de Nazi’s goedgekeurde kunstwerken werden geëxposeerd.

Vor den Spiegel werd in 2016 herontdekt in het depot van Museum Kunstpalast en gekoppeld aan bovenstaand verhaal opnieuw tentoongesteld. Hetgeen nog maar eens bewijst dat een mooi verhaal een kunstwerk serieus kan opwaarderen. Ik denk dat het verhaal nog mooier was geweest als uit was gekomen dat Adolf Munzer er expres op aangestuurd heeft dat het uit zou komen wie zijn model was. Hij moet stapelverliefd zijn geweest op Marie-Thérèse. Onderstaand portret schilderde hij korte tijd eerder van haar. Zo moeilijk kan het niet geweest zijn.


Marie-Thérèse door Munzer, “Abseits vom Fest”, 1905-1906

zaterdag 4 april 2026

Therapeutenpad

Renoir, “Confidence”, 1897

Je kunt niet iedereen redden,
Je kunt een stukje meelopen met hun levens,
                                                Als voorrecht,
Je kunt een ander perspectief bieden,
Je rust, met het masker van gezondheid,
Soms kun je iets wegnemen van de pijn,
In de verdoving van wat afstand
Soms voel je even de verbinding,
Die de ander te weinig heeft gevoeld,
Soms kun je troosten door aanraking,
Aanwezigheid,
              Een oogcontact,
                  Een traan,
Maar je kunt niet hun pad bepalen,
Of beschermen tegen eeuwigheid,
Je kunt nooit opnieuw beginnen,
Noch een beter antwoord geven,
Ze zullen hun eigen antwoorden moeten vinden,
                                                 Zichzelve redden,
En je moet ze allemaal laten gaan,
                                            Te lange leste.

vrijdag 3 april 2026

Filosofie van de verte

  
Henri Matisse, “De drie zussen”, 1917

Pirandello voert in een van zijn verhalen ene dokte Fileno op, die een methode had gevonden om het leed van de hele mensheid voor altijd te verlichten. De methode bestond eruit dat je van ‘-morgens vroeg to ‘s-avonds laat geschiedenisboeken moest lezen en ook het heden in de geschiedenis plaatste, ver terug in de tijd. Hij positioneerde zich als het ware in de toekomst om van daaruit naar het heden te kijken, dat hij daarmee bezag als iets wat al voorbij was. Filosofie van de verte, moest het heten.

Tegelijkertijd zoekt hij naar onsterfelijkheid en wil hij een personage worden in een boek van Pirandello. Personages in grote boeken zijn als enige onsterfelijk. Sancho Panza, Hamlet, Anna Karenina, Madame Bovary. Maar Pirandello wijst hem af. En ik denk terecht. Je kunt het verleden naar je hand zetten, vervormen, afstand nemen als je wil, maar je kunt het leed niet overslaan. Voor iedereen een gifbeker. Iedereen dealt ermee op eigen wijze. Geen personage die eraan ontkomt.

woensdag 1 april 2026

Drie zusters

 
“Three Bohemian Noble Sisters in the Emperor’s Court”

Je hebt tegenwoordig AI kunstenaars. Ene Bruno Cerboni Bajardi (1969) noemt zich zo en komt tot bovenstaand portret. Ik heb veel bedenkingen bij AI, uiteindelijk zal het zich tegen ons keren, maar dit is toch geweldig gemaakt. Ik zou bijna zeggen: ik sta perplex. Verrassend vind ik eerlijk gezegd te zwak.

Laat ik het ook eens proberen!

Ik google op “Drie zusters”, vind een mooie foto van een theatervoorstelling, ik pas de foto aan via Chat-GPT en voila, ik heb een AI-kunstwerk dat op groot formaat volgens mij in weinig musea zou misstaan. Zie hieronder. De drie gratiën, op hun best, zou ik zeggen. Ze kijken je aan, zeg maar hoe?

Mooi toch? Ik vind het mooi.

Tegelijkertijd voelt het een beetje eng. Ik weet niet waar het allemaal naartoe gaat. Maar het kan perspectief bieden voor een nieuwe hobby. Al is het maar voor mijn blog.


Mijn “Drie zussen”, met behulp van AI

zondag 29 maart 2026

Naast elkaar


Marie Krøyer (Triepcke) door Bertha Wegmann (detail), 1885

Zoveel rimpels
Dunner haar
Stram van leden
Ietsje te zwaar
Alles wat minder
Ieder nieuw jaar

Blijft dat ventje

                          goed bewaard

Kort van adem

  Veilig       

                   kwetsbaar

Ik en mijn moeder

                      naast elkaar.