Labels

zondag 3 mei 2026

Eén keuze

 
Chaim Soutine, “Capucijnerklooster in Céret”, ca. 1920

Nog maar iets uit Grossman’s “Leven en Lot”. Af en toe loop ik een oortje af. Alles zit erin. Met zo’n boek krijg ik mijn blog wel gevuld.

Over de Russisch-Oekraïense soldaat Chmelkov die als helper in Auschwitz terecht komt. Hij kijkt naar zijn collega helper Zjoetsjenko, die naast hem ligt op zijn brits:

Zjoetsjenko’s handen met de lange dikke vingers die de hermetisch sluitende deuren van de gaskamers dichtdeden, leken altijd vuil te zijn, en het was onprettig brood te pakken uit dezelfde mand als hij. Zjoetjsjenko was gelukkig en opgewonden als hij ‘s ochtends ging werken en terwijl hij stond te wachten op de stoet mensen die kwam aanlopen vanaf het spoor. <…>

Hij kijkt naar zichzelf:

Op een dag in juli 1941 was hij krijgsgevangen gemaakt. Hij was met een geweerkolf op zijn nek en zijn hoofd geslagen, hij had bloedige dysenterie opgelopen, hij was op kapotte laarzen door de sneeuw gejaagd, hij had water met bellen stookolie erin te drinken gekregen, hij had met zijn handen hompen stinkend zwart vlees van een paardenkadaver gescheurd, hij had rotte koolrapen en aardappelschillen gegeten. Hij had maar één keuze gemaakt: hij wilde leven, meer niet. Hij had zich aan tientallen doden ontworsteld, hij wilde niet sterven van honger, kou of bloedige diarree, hij wilde niet neervallen met negen gram metaal in zijn kop, hij wilde niet opzwellen tot zijn hart werd gesmoord in het water dat opsteeg uit zijn benen, hij was een kapper uit de stad Kertsj en niemand had ooit slecht over hem gedacht: noch zijn ouders, noch de buren op het erf, noch zijn bazen op het werk, noch de vrienden met wie hij wijn dronk, gerookte harder at en domino speelde. Maar soms kwam het verschil tussen hen hem volstrekt onbeduidend voor. Wat maakt het voor God uit of voor de mensen met wat voor gevoel ze naar hun werk gingen? De een was vrolijk, de ander niet, maar ze deden hetzelfde werk.

Grossman besluit:

Hij begreep niet dat Zjoetsjenko hem schrik aanjoeg niet omdat hij schuldiger was dan hijzelf, maar omdat diens verschrikkelijke monsterlijke natuur hem verontschuldigde. Terwijl Chmelkov geen monster was, hij was een mens. Hij was er zich vaag van bewust dat een mens die mens wilde blijven onder het facisme een eenvoudigere keuze had dan het redden van zijn leven: de dood.

En dat heeft niks met moralisme te maken.

vrijdag 1 mei 2026

Nummer 30

 
Leonid Pasternak, “De muziekles”, 1909

Ik kom toch nog een terug op de televisieserie “Van de schoonheid en de troost”, uit 2000, vanwege de potentie zal ik maar zeggen. De potentie televisiemaker Wim Kayzer vaak miste, vond ik toen. Maar misschien doe ik hem tekort.

Tegenwoordig kun je alles terugkijken. Ik keek het interview met George Steiner terug. Hij vertelde een anekdote over Pasternak, die hij hoog heeft.

Het is 1937. Het ergste jaar van Stalins Grote Zuivering. In Moskou vindt het schrijverscongres plaats. Sprekers bewieroken Stalin en de triomfen van de Sovjet-Unie. Dan is Pasternak aan de beurt. Pasternak geldt als een groot schrijver. Zjivago is nog niet verschenen. Ze zeiden tegen Pasternak: “Als je iets gaat zeggen zullen ze je arresteren, als je niks zegt zullen ze je ook arresteren, vanwege het cynisme”. 
Pasternak gaat iets zeggen. Het is muisstil. Rijzig groot als hij is, gezeten vlak naast Zjadanov, staat hij op voor de zaal met tweeduizend schrijvers en zegt twee woorden: sonnet 30. Pasternak heeft de sonnetten van Shakespeare op grootse wijze naar het Russisch vertaald. De hele zaal weet dat, de hele zaal staat op, en iedereen declameert Shakespeare’s sonnet nummer 30, uit het hoofd.

When I summon up remembrance of things past.

Zoiets kan alleen in Rusland. Er lijkt weinig veranderd.

Hieronder de vertaling van Peter Verstegen, omdat ik het niet beter kan:

Als ik voor ’t hof van tedere gedachten
Herinneringen aan vroeger tijd ontbied,
Smart mij ’t gemis van veel waar ik naar smachtte,
Voel ik de pijn van tijd verdaan om niet.

Dan smelt mijn oog dat lang droogstond weer
Om lieve vrienden in Doods eeuwge nacht,
Ik treur om liefdespijnen van weleer
En ween om smart die wat teloorging bracht.

Dan lijd ik weer om leed van vroeger dagen,
Met zwaar hart tel ik pijn en pijn tezaam
Tot droeve som van al mijn vroeger klagen

Die ‘k moet voldoen als was zij nooit voldaan.
Maar, lieve vriend, zie ‘k dan jouw beeld voor mij,
Is het verlies hersteld, het leed voorbij.

dinsdag 28 april 2026

Oog voor detail

 
Botticelli, detail uit “Madonna met de granaatappel “, 1487

In de laatste twintig jaar van zijn leven schilderde Botticelli, geholpen door zijn leerlingen en medewerkers, tientallen madonna’s, vooral ook omdat daar veel vraag naar was. Madonna met de granaatappel maakte hij in opdracht van Massai di Camera Magistrates, later kwam in terecht in de kunstverzameling van Leopoldo di Medici en sinds 1780 bevindt het zich nu in het Uffizi te Florence. De granaatappel symboliseert geboorte, dood en wedergeboorte, door de zaden die het in zich draagt. Net als het menselijk hart heeft de granaatappel meerdere asymmetrische kamers. Kennis over de werking en functies van die cordiale kamers was in de tijd van Botticelli sterk in ontwikkeling. Het Jesuskind houdt de granaatappel, ondersteund door de linkerhand van Maria, precies voor zijn hartje.

Opvallend is dat Botticelli Madonna en kind wel weer symmetrisch laat flankeren door drie engelen aan weerszijden, de middelste met een boek. Ik wordt vooral aangetrokken door de middelste engel rechts, die ons recht aankijkt. Zo’n starende blik naar de toeschouwer was nieuw in de schilderkunst van die tijd, en riep soms ook weerstand op: de geportretteerde drinkt direct door in je persoonlijke levenssfeer. Zo ook deze engel, die met zijn gedachten ergens nders lijkt te zitten en ons iets lijkt te willen zeggen. Mij iets wil zeggen. Ik zou het hem willen vragen, maar zijn woorden zijn verstomd. En toch heb ik het gevoel iets te begrijpen. Een detail zegt vaak meer dan het totaal. Daar ben ik psycholoog voor geworden. Daarom ben ik zo’n liefhebber van Botticelli. Daarom houd ik van kunst.


Het volledige werk, bewaard gebleven in de originele lijst

maandag 27 april 2026

Vandalen

 


Het is koningsdag. De koning en zijn gevolg zijn in Dokkum en dan denk ik weer terug aan de geschiedenisles van meester Zegveld. Bonifatius bij Dokkum vermoord.

Ik zoek een schoolplaat van de moord op Bonifatius, maar stuit vooral op afbeeldingen van het moment waarop hij in 723 de heilige Donareik omhakt, om aan de heidenen te bewijzen dat er niets gebeurt, waar rampspoed werd verwacht. Het moet een enorme boom zijn geweest.

Ik krijg ineens een bijzondere associatie. In de vroege ochtend van 28 september werd in Nothhumberland, bij de muur van Hadrianus, de wereldberoemde Sycamore Gap tree, ook wel Robin Hood-boom, door twee jonge vandalen omgezaagd. Dit leidde tot een wereldwijde verontwaardiging.

Ik kan me niet goed voorstellen dat de Germanen indertijd ook niet verontwaardigd zijn geweest. Bonifatius had ook gewoon kunnen zeggen dat het onzin was wat ze geloofden. Blijkbaar is er soms toch iiets meer nodig om de boel in beweging te krijgen, moet hij gedacht hebben. Maar de boemerang komt altijd terug, ook dat heeft hij ervaren. Maar leerde ik al van meester Zegveld.

De koning kapt geen bomen. De koning is een jager. Dat maakt hem geen vandaal, maar ook die boemerang zal een keer terugkomen. De geschiedenis heeft een lang geheugen.




zondag 26 april 2026

Geen van ons

 
Egon Schiele, “Krumau - Bogen van de huizen, de kleine stad”, 1915

Ik lees weer Leven en Lot van Vasili Grossman, die schrijft over antisemitisme.

Antisemitisme is een uitdrukking van het gebrek aan bewustzijn van de massa’s, die niet in staat zijn de oorzaken van hun eigen nood en ellende te doorzien. Onontwikkelde mensen leggen de schuld voor hun ellende bij de Joden, in plaats van bij de staat of de maatschappijstructuur.

Of in plaats van bij zichzelf, denk ik dan. 

Tot aan de Tweede Wereldoorlog bleven mensen redelijk op hun plek wonen. Binnen naties waartoe ze behoorden. Alleen Joden waren anders, een ander volk, soms met eigen structuren, niet van de onzen. Tegenwoordig zijn het niet alleen de Joden meer. Maar het credo “geen van ons” doet nog altijd opgeld. Dat lijkt zelfs evolutionair bepaald, heeft een functie gehad in het voortbestaan van onze soort. Van onze groep. Wij mensen zijn groepswezens en in de kern is dat de oorzaak van alle ellende op de wereld, zal het ook altijd blijven en bij de huidige migratiemogelijkheden en beschikbare middelen tot destructie zal het alleen maar erger worden.

Het zijn niet alleen mijn cliënten die vaak doemdenken. Je moet er alleen niet je dag door laten bederven.

donderdag 23 april 2026

Trots op Truus

 


Nog even over de roaring twenties. Van het een komt het ander.

Truus van Aalten was dochter van een drogist uit Arnhem, later Amsterdam. Als kind was ze al helemaal in de ban van de stomme film, die toen net opgang maakte. Ze verzamelde fanatiek fototijdschriften, ansichtkaarten van filmsterren, en op 14 jarige leeftijd mat ze zich al een bopkapsel aan, hetgeen toen net nieuw was en gold als vrijgevochten. In werkte 1926 bij Peek & Cloppenburg te Amsterdam, maar toen ze in de krant las dat de Duitse filmmaatschappij UfA meisjes uit diverse Europese landen zocht voor filmrollen solliciteerde ze direct, werd aangenomen, maakte direct al grote indruk en schitterde vervolgens jarenlang in vooral komische Duitse filmproducties. Na de oorlog werd ze in de Nederlandse filmwereld genegeerd vanwege haar eerdere werk in het land van de agressor. In 1999 stierf ze vergeten in een tehuis voor dementerenden.

Dat over Truus. Voor nu werd ik vooral gefascineerd door de foto van Alexander Binder, die in oktober 1928 ook in geanimeerde vorm op de cover van Das Leben prijkte, hét geïllustreerde tijdschrift voor de welgestelde, hoogopgeleide Berlijnse upperclass-class in de tijd. Het zou ook de omslag mogen zijn van het boek dat ik over haar zou willen schrijven, waarvan ik niet weet of het er ooit van zal komen. Maar de plaatjes zijn sowieso meer dan voldoende voor mijn blog van vandaag. Laten we een beetje trots zijn op haar, honderd jaar na dato.




dinsdag 21 april 2026

Een platonische echo

 
Jan Wiegers, “Music Hall”, 1921/jaren vijftig, 100 x 82,5 cm, Groninger Museum

In 2008 werd bij Sotheby’s een schilderij van De Ploeg-schilder Jan Wiegers (1893-1959) geveild voor het recordbedrag van  216.750 euro. Het doek werd gedateerd op 1921: the roaring twenties in het Groningse uitgaansleven. Niet gek dat het Groninger Museum indertijd overwoog om mee te dingen, maar op advies van De Ploeg-kenner Han Steenbruggen zag het daar vanaf. Steenbruggen zag met het blote oog, mede op basis ook van het verfgebruik, dat het schilderij uit een latere Wiegers-periode stamde. Ook kende hij een foto van een vergelijkbaar schilderij van Wiegers uit de jaren twintig, dat verloren werd gewaand (of vernietigd, wat Wiegers wel vaker deed). Sotheby’s wilde niet meewerken aan een nader onderzoek, omdat dat de prijs alleen maar zou doen devalueren. De Rotterdamse kunstverzamelaar die het aankocht lijkt dan ook onwetend te zijn geweest over de gerezen twijfels. 

Uiteindelijk kreeg Steenbruggen natuurlijk toch gelijk: na röntgenonderzoek bleek dat het oorspronkelijke, verloren gewaande werk zich onder het geveilde schilderij bevond: er was in de jaren vijftig door Wiegers gewoon overheen geschilderd. Volgens de Groningse kunsthandelaar Richard ter Borg, ook een Ploeg-kenner, veranderde het schilderij daarmee tot een “echo van een revolutie” en zou de marktwaarde daardoor gedaald zijn tot ergens tussen de 60.000 en de 100.000 euro, ook al was de tweede versie nog zoveel mooier uitgewerkt en ontwikkeld. De kunsthandel steekt vreemd in elkaar. in 2011 werd het schilderij alsnog door het Groninger Museum verworven, ik neem aan van die Rotterdamse kunstverzamelaar, eerst in bruikleen, later verworven, geen idee voor hoeveel. Ik zou er nog steeds 216.750 euro voor willen betalen. Wiegers heeft een wijs besluit genomen, een platonische uitwerking doe mij nog altijd bereikt.


Foto van het “originele” onderliggende schilderij


zondag 19 april 2026

Sorolla’s zin des levens

 


De Spaanse kunstschilder Joaquin Sorolla (1863-1923) en zijn vrouw Clothilde García del Castillo (1865-1929) zijn hun leven lang vrijwel nooit van elkaars zijde geweken. Ze kenden elkaar al van jongsaf, Joaquin studeerde met de broer van Clothilde aan de kunstacademie van Valencia, en beiden wisten al vroeg dat ze tot elkaar voorbestemd waren. Ze zouden nooit meer van elkanders zijde wijken. Toen Joaquin in 1909 in New York exposeerde reisde hij met de hele familie - ze hadden twee dochters en een zoon - naar Amerika. Talloze keren zou hij Clothilde als zijn muze portretteren. In 1906 maakte hij zeventien portretten van familie en verkenden, waaronder het hier getoonde indrukwekkende portret van Clothilde. Na zijn dood zou Clothilde het Sorolla-museum openen in Madrid.

Het is mooi als je het kunstenaarschap en daarmee je leven in dienst kunt stellen van de liefde. De liefde voor je naasten en het geluk daar goed voor te kunnen zorgen is alles wat telt in het leven. Ik denk soms dat dat het enige is wat belangrijk is. Het enige dat een man najaagt, de zin des levens, evolutionair bepaalt, bij een vrouw wellicht in een iets andere zin, maar in wezen niet anders. Soms zie ik het ook, ineens, bij Sorolla bijvoorbeeld, soms ook bij mezelf. Hoewel het natuurlijk altijd lastig blijft om alles bij voortduring te ervaren. Hoewel grote liefde natuurlijk ook angsten oproept. Hoewel elke liefde ook soms ongeluk brengt. Hoewel…

Maar misschien projecteer ik teveel. Ik kan natuurlijk nooit precies weten hoe Joaquin het heeft ervaren, en Clothilde. 

Maar vandaag wil ik daar niet aan denken. Vandaag voel ik hun liefde.


,
Joaquin Sorolla, “Clothilde in zwarte jurk”, 1906, 187 x 119 cm,
Metropolitan Museum of Art, New York

donderdag 16 april 2026

Het goede

 
Picasso, “Blauw naakt”, 1902

De meeste mensen op aarde doen nooit een poging “het goede” te definiëren. Wat is het goede? Goed voor wie? Bestaat er een algemeen concept van het goede, toepasbaar op alle mensen, alle volkeren, alle levensomstandigheden? Of bestaat het goede voor mij in het kwade voor jou, het goede voor jouw volk in het kwade voor mijn volk? Is het goede eeuwig en onveranderlijk? Of is wat gisteren goed was vandaag slecht en is het kwaad van gisteren het goede van vandaag?

Vasili Grossman geeft in ‘Leven en lot’ een hoofdstuk-lange beschouwing over de notie van goed en kwaad. Maar de huidige wereldleiders lezen zulke boeken niet. En daarom zal er nooit iets veranderen. Grossman ziet alleen goedheid in alledaagse handelingen. De oude vrouw die een krijgsgevangene een stuk brood brengt. De goedheid van een soldaat die een gewonde vijand uit zijn velerlei laat drinken. De goedheid van een boer die een Jood op zolder verstopt.

Ik heb een mooi vak, denk ik dan. Ik probeer mensen te helpen. Omdat ik niet anders kan, en zonder dat me dat een goed mens maakt. De wereld ga ik niet meer veranderen.

dinsdag 14 april 2026

Lente licht

 
Carl Larsson, “Lisbeth bij de berkenboom “, 1910

Lente licht
Groener dan groen
Lengende dagen
Beginnersseizoen
Het lopen weer lichter
Een schonere schoen
Drukt alles wat zachter
En mooier als toen
Lijkt alles te wachten
In drukte te doen
De vogeltjes fluiten
Ik geef je een zoen


maandag 13 april 2026

Sonja’s vertier

 


Sonja is dood. Ik dacht ooit dat ze altijd dezelfde zou blijven, mooi als ze was, maar de spaarzame keren dat ze in de afgelopen jaren op televisie verscheen zag ik al dat ook zij er niet aan zou ontkomen.

Sonja is dood. Ze heeft nooit geweten wie ik was, maar toch maakt ze een beetje deel uit van mijn leven. Alleen heeft ze daar niks meer aan. En ik wellicht nog minder.

David Foster Wallace beargumenteert dat het vertier dat we kiezen en de soort afleiding die we zoeken alles zegt over wie we zijn. Want alles is afleiding, uiteindelijk van de dood..

Sonja is dood. Er zijn weer nieuwe Sonja’s. Nieuwe oorlogen. Nieuwe seizoenen. Ander vertier. Jongeren die haar nooit gekend hebben en daar nooit om zullen malen.

Ik maal om het voorbijgaan der dingen. Goede levens, slechte levens. Lange en korte. Alles stroomt. En de rest is afleiding. Wat blijft toch steeds te weinig. Dat ze mooi was misschien. Gratieus. Als een danseres.

Wie ben ik om haar te gedenken?

zondag 12 april 2026

Opnieuw beginnen


Richard Maury, 2003

Je kunt altijd opnieuw beginnen,
Hoe vreemd,
Hoe bijzonder
          En hoe hoopvol

Je loopt wat door de tuin
Snoeit de rozen
En ze schieten andermaal uit

Ik loopt over straat
In de lage zon
Kinderen fietsen vanuit het tegenlicht op je af
En ik hoor ze kwebbelen

Je draait je om
maakt lange schaduwen
Groet de mensen
Je maakt deel uit van het leven
En morgen is er weer zo’n dag

Je trouwde ooit met de dochter
Blijft bij elkaar
En straks trouwt wellicht een zoon
Wie weet

Alles kan
Iemand begint een oorlog
Tien punten voor de vrede
Verdwijnen in de lentezon
Het leed dat is geweest
Zal weer verdwijnen in de lentezon

Je opent een nieuwe pagina
Typt een paar woorden
Geïnspireerd door de zon der lente
Je begint altijd met niks
En eindigt met een gedicht
       of wat woorden

We maken woorden
Uit het geruis van de bomen
We zijn er gewoon
Op alweer een nieuwe dag
We zijn deel van het leven
Als een schaduw voor het zonlicht

Je kunt altijd opnieuw beginnen,
Hoe vreemd,
Hoe bijzonder
          En hoe hoopvol

vrijdag 10 april 2026

Historiezucht




Mijn eerste geschiedenislessen kreeg ik eind jaren zestig van meester Zegveld, die zo beelden kon vertellen. Later heb ik nog ooit archeoloog willen worden, of geschiedenisleraar, een onderwijzer die alle verhalen kende. Het is er allemaal niet van gekomen, maar de historiezucht is gebleven.

Meester Zegveld werkte met de schoolplaten van Isings, die na al die jaren nog steeds een snaar kunnen raken bij mij. Eén van die platen was Brabants dorp in de vijftiende eeuw, een van Isings’ laatste. Het zou Leende zijn geweest, volgens de meester, met Kasteel Heeze wat dichterbij gehaald. We zien een ridder, edelen, verschillende ambachten en bezigheden, zoals houthakkers, een marskramer, een herder met zijn kudde schapen.

Het helpt niet om de schoolplaat te beschrijven als het gaat om wat het nog steeds met me doet. Het is niet de vijftiende eeuw die voorbij voelt, maar voor mij de jaren zestig, resonerend in de decennia eraan voorafgaand. Het geschiedenisonderwijs is niet meer wat het geweest is. Maar ik ben nog steeds dezelfde. Terug in de tijd, een eerder leven.

Alles herhaalt zich. Ik ben weer negen en mijn leven moet nog beginnen.

dinsdag 7 april 2026

Verre gelijkenis

 


Het is tweede paasdag, mooi weer, we zitten buiten met een drankje. Ik heb een grote kast vol kunstboeken. Ik loop naar binnen, pak er eentje uit en blader wat in het zonnetje. Anders heb je ook niks aan die kunstboeken. En dan krijg ik niet meer verantwoord om er nog meer aan te schaffen.

Ik kijk naar een werk van Roy Lichtenstein en ik zie Botticelli, Venus. Ik hoef niet lang te denken waar mijn voorkeur naar uitgaat. Al zou ik Lichtenstein eerder in mijn kamer hangen dan Botticelli. Als reproductie dan, maar bij Liechtenstein maat dat zoveel niet uit.

Gewoon, omdat het leuk is de twee beelden even naast elkaar te zetten. Omdat ze nog mooier zijn in close-up. Omdat ik me ook wel eens kunstliefhebber noem, voor wat dat ook waard zij.

Omdat het een mooie dag is.




maandag 6 april 2026

Voor de spiegel

 
Adolf Münzer, “Vor den Spiegel”, 184 x 151 cm, 1907, Museum Kunstpalast, Düsseldorf

Notariszoon Adolf Münzer (1870-1953) was een Duits kunstschilder, opgeleid aan de Kunstacademie van München, aanvankelijk vooral bekend als grafisch illustrator voor Jugendstill tijdschriften als Jugend en Simplicissimus, lid van kunstenaarsvereniging Scholle, voornamelijk werkzaam in München.

In 1903 leerde Münzer te München Marie-Thérèse Dreeßen kennen, geboren von Vestenhof (1878–1958), die zijn model en minnares werd. Dreeßen was echter getrouwd en liet zich bij naakten alleen portretteren zonder haar gezicht te tonen, vaak in ‘Rückenansicht’. Toen Münzer in 1907 zijn schilderij Vor dem Spiegel tentoonstelde bij Galerie Brackl, werd ze evenwel toch herkend, hetgeen tot een schandaal leidde, eindigend in een scheiding met haar man. Een jaar later zou ze met Münzer trouwen en vertrokken ze naar Düsseldorf, war Münzer hoogleraar werd aan de Kunstacademie. In de Hitler-tijd was hij nauw betrokken bij het organiseren van meerdere edities van de Große Deutsche Kunstausstellung, waar alleen door de Nazi’s goedgekeurde kunstwerken werden geëxposeerd.

Vor den Spiegel werd in 2016 herontdekt in het depot van Museum Kunstpalast en gekoppeld aan bovenstaand verhaal opnieuw tentoongesteld. Hetgeen nog maar eens bewijst dat een mooi verhaal een kunstwerk serieus kan opwaarderen. Ik denk dat het verhaal nog mooier was geweest als uit was gekomen dat Adolf Munzer er expres op aangestuurd heeft dat het uit zou komen wie zijn model was. Hij moet stapelverliefd zijn geweest op Marie-Thérèse. Onderstaand portret schilderde hij korte tijd eerder van haar. Zo moeilijk kan het niet geweest zijn.


Marie-Thérèse door Munzer, “Abseits vom Fest”, 1905-1906

zaterdag 4 april 2026

Therapeutenpad

Renoir, “Confidence”, 1897

Je kunt niet iedereen redden,
Je kunt een stukje meelopen met hun levens,
                                                Als voorrecht,
Je kunt een ander perspectief bieden,
Je rust, met het masker van gezondheid,
Soms kun je iets wegnemen van de pijn,
In de verdoving van wat afstand
Soms voel je even de verbinding,
Die de ander te weinig heeft gevoeld,
Soms kun je troosten door aanraking,
Aanwezigheid,
              Een oogcontact,
                  Een traan,
Maar je kunt niet hun pad bepalen,
Of beschermen tegen eeuwigheid,
Je kunt nooit opnieuw beginnen,
Noch een beter antwoord geven,
Ze zullen hun eigen antwoorden moeten vinden,
                                                 Zichzelve redden,
En je moet ze allemaal laten gaan,
                                            Te lange leste.

vrijdag 3 april 2026

Filosofie van de verte

  
Henri Matisse, “De drie zussen”, 1917

Pirandello voert in een van zijn verhalen ene dokte Fileno op, die een methode had gevonden om het leed van de hele mensheid voor altijd te verlichten. De methode bestond eruit dat je van ‘-morgens vroeg to ‘s-avonds laat geschiedenisboeken moest lezen en ook het heden in de geschiedenis plaatste, ver terug in de tijd. Hij positioneerde zich als het ware in de toekomst om van daaruit naar het heden te kijken, dat hij daarmee bezag als iets wat al voorbij was. Filosofie van de verte, moest het heten.

Tegelijkertijd zoekt hij naar onsterfelijkheid en wil hij een personage worden in een boek van Pirandello. Personages in grote boeken zijn als enige onsterfelijk. Sancho Panza, Hamlet, Anna Karenina, Madame Bovary. Maar Pirandello wijst hem af. En ik denk terecht. Je kunt het verleden naar je hand zetten, vervormen, afstand nemen als je wil, maar je kunt het leed niet overslaan. Voor iedereen een gifbeker. Iedereen dealt ermee op eigen wijze. Geen personage die eraan ontkomt.

woensdag 1 april 2026

Drie zusters

 
“Three Bohemian Noble Sisters in the Emperor’s Court”

Je hebt tegenwoordig AI kunstenaars. Ene Bruno Cerboni Bajardi (1969) noemt zich zo en komt tot bovenstaand portret. Ik heb veel bedenkingen bij AI, uiteindelijk zal het zich tegen ons keren, maar dit is toch geweldig gemaakt. Ik zou bijna zeggen: ik sta perplex. Verrassend vind ik eerlijk gezegd te zwak.

Laat ik het ook eens proberen!

Ik google op “Drie zusters”, vind een mooie foto van een theatervoorstelling, ik pas de foto aan via Chat-GPT en voila, ik heb een AI-kunstwerk dat op groot formaat volgens mij in weinig musea zou misstaan. Zie hieronder. De drie gratiën, op hun best, zou ik zeggen. Ze kijken je aan, zeg maar hoe?

Mooi toch? Ik vind het mooi.

Tegelijkertijd voelt het een beetje eng. Ik weet niet waar het allemaal naartoe gaat. Maar het kan perspectief bieden voor een nieuwe hobby. Al is het maar voor mijn blog.


Mijn “Drie zussen”, met behulp van AI

zondag 29 maart 2026

Naast elkaar


Marie Krøyer (Triepcke) door Bertha Wegmann (detail), 1885

Zoveel rimpels
Dunner haar
Stram van leden
Ietsje te zwaar
Alles wat minder
Ieder nieuw jaar

Blijft dat ventje

                          goed bewaard

Kort van adem

  Veilig       

                   kwetsbaar

Ik en mijn moeder

                      naast elkaar.

vrijdag 27 maart 2026

Aflopende tijd

 
Gustav Klimt, “Scloss Kammer am Attersee IV”, 1910

Wat beweegt een schilder om een bepaald thema tot onderwerp te maken van een schilderij? Ik vraag me dat af en kijk naar een landschap van Klimt. Portretten maakte hij regelmatig in opdracht, maar waarom ging hij zitten tegenover Schloss Kammer aan de Attersee.

Of in een bootje.

Klimt maakte regelmatig boottochtjes met Emilie Flöge over de Attersee. Hij moet getroffen zijn door de schoonheid van het tafereel, zoals ik bij het kijken naar zo’n schilderij. Ik voel zijn rust in een tijd vol onrust en dreiging.

Er zit meer als 100 jaar tussen, maar zo ontstaat er toch een verbinding waarin tijd geen rol speelt. Ik voel zijn zwaarmoedigheid, een zekere eenzaamheid, maar ook het gevoel dat het leven mooi kan zijn. Als troost.

Maar dat alles is niet om te zeggen dat de tijd geen rol speelt. Alles loopt af, en tegelijk ook weer niet.

woensdag 25 maart 2026

We weten het niet

 
Eric Harald MacBeth Robertson, “Miss Maidie And Miss Elsie Scott”, 
170 x 137 cm, National Galleries of Scotland, Edinburgh


‘De zee die klaagt en weet niet waarom’; ‘de aarde <…> waaruit ‘t kooren groeit, dat groen is en geel wordt en wordt gemaaid en de hoge garven staan op de geele stoppels, en de aarde weet er niet van’; en de lucht en het kanaal en de schemering en het licht zouden er altijd weer zijn, ‘en ze zouden nergens van weten’.


Wat kun je van Nescio leren? Dat vraagt Paul van Tongeren zich af. Helpt het als je je in de persoon van Frits Grönloh verdiept?

Je kunt natuurlijk, zeker hier in Nijmegen waar de auteur graag kwam en veel gewandeld heeft, proberen van alles over hem te weten te komen. Maar zo ontdek je alleen iets over degene die zich achter dat pseudoniem verborg, niet over wat dat pseudoniem zelf, wat Nescio te zeggen heeft.


Als het ons niet om Frits Grönloh, maar om Nescio te doen is, en als we niet zijn als de vrouw van de auteur van Dichtertje, die dat onderscheid niet wist te maken, dan lijkt er maar één bron te zijn, en dat is de auteur zelf; en die heeft gezegd wat hij te zeggen had in zijn paar verhalen (de vele schetsen en pogingen zijn door de auteur zelf teruggehouden en de honderden bladzijden natuur-dagboek zijn waarschijnlijk eerder van Grönloh dan van Nescio). We moeten het doen met die krap 200 bladzijden prozagedichten.


Dat schrijft Paul van Tongeren. Ik schreef ook al een zoiets naar aanleiding van de verschijning van de dikke Nescio-biografie van Frerichs.


Ik heb in dit blog tot hier krap 2000 stukjes geschreven, niet minder dan dat. Veel kan gezien worden als schetsen en pogingen, die ik misschien wel had moeten terughouden. Ik denk dat alleen mijn stukjes die een beetje voorbij de schaduw raken er een beetje toe kunnen doen. Per definitie. Maar ik vrees dat het er niet zoveel zijn, misschien een paar gedichtjes. Als je de maskers weghaalt blijft er weinig meer over. Ook bij mij niet. Bij niemand. We weten het niet, om met Nescio te spreken. Zo eenvoudig is het.

Misschien dat ik ooit nog ga schiften. En anders mag iemand anders het doen. Met mijn permissie.

maandag 23 maart 2026

In de lentezon schrijf ik

 


In de lentezon schrijf ik
Wat woorden 
  die kringelend
             mijn blaadje beslaan,
Er tussen het kringelen door 
    zie ik een heel 
                           klein jongetje gaan,
Zoekend zonder zorgen,
            zonder doel, 
            zonder ergens 
                          bij stil te staan,
Want de doelen komen later, 
           en zorgen erachteraan,

Hè jongetje roep ik, 
                  zo ver van mij vandaan,
Hé jongetje roep ik, 
           ik roep en hoor mijn naam,
Hé jongetje, 
Hé jongetje, 
                      blijf toch even staan,
 Je bent zo ver 
                          zo ver van mij vandaan,
En toch voel ik je bijna, 
                  bijna raak ik je aan
Heel even kan ik er bijna weer aan,
Ik laat je niet gaan, 
                ik laat je niet gaan,



zaterdag 21 maart 2026

Verzamelaars

 


Maar voor ons betekent het dat we achterblijven met drie schitterende verhalen die ons onherstelbaar en onuitwisbaar hebben geraakt. Misschien ook een beetje verblind, maar dan zoals de titaantjes die, nadat ze uren naar de zon hadden zitten kijken, daarna nog veel meer uren lang vooral gele vlekken in hun ogen zagen. Maar die verblinding hoort bij een verwonding die we koesteren.


Paul van Tongeren


Van de eerste druk van Nescio's bundel 
Dichtertje - De uitvreter - Titaantjes uit 1918 zijn er naar schatting nog slechts enkele tientallen tot hooguit honderd exemplaren in omloop (bron De Volkskrant, 2018). Ik heb er eentje van, in een jammerlijk versleten staat, maar prachtig opnieuw ingebonden door Boekbinderij Phoenix. Laten we eens zeggen dat er nog een aantal exemplaren buiten zicht zijn en dat er in totaliteit, met een beetje oprekken, nog 125 originele eerste drukken bestaan.

Dat oprekken doe ik een beetje omdat ik inmiddels ook een boekje van Paul van Tongeren over Nescio heb verworven, oplage, jawel: 125 stuks. Mijn vrouw vroeg me of dat wat uitmaakte. Vijftig euro voor zo’n dun boekje, 36 bladzijdes, bij een eenvoudig psychologensalaris. Eigenlijk niet, was mijn antwoord, maar ik wist natuurlijk beter. Mensen blijven verzamelaars. Noten zoeken, honderdduizend jaar. Klein boekje, groot geluk. Soms moet je die momentjes zelf creëren, zeg ik tegen mijn cliënten. Net zo lang tot je gele vlekken ziet.


woensdag 18 maart 2026

Kloppend in mijn hoofd

 
Sir Henry Raeburn, “Mrs Robert Scott Moncrieff”, 1814,
76,5 x 64 cm, National Galleries of Scotland.

Ik was in  de National Galleries of Scotland in Edinburgh en verbaasde me over de kwaliteit van de collectie. Tussen de schilderijen van Rembrandt, Vermeer, Hals, werd ik getroffen door bovenstaand portret van Sit Henry Raeburn (1756-1823) uit 1814. De geportretteerde is Margaritta MacDonald, oftewel Mrs Robert Scott Moncrieff (1779-1824). Haar echtgenoot, een wijnhandelaar uit Edinburgh, vriend van Raeburn en Ivanhoe-schrijver Walter Scott, die hem beschreef als bescheiden en vriendelijk. Toen ze op 45-jarige leeftijd overleed was hij ontroostbaar. Bijna dertig jaar zou hij haar overleven zonder te hertrouwen en hield het portret altijd prominent zichtbaar in zijn eetkamer.

Dit is wat ik kan vinden. Geen idee waaraan Margaritta is overleden. Geen idee ook of ze net zoveel van haar man hield als hij van haar. Of ze gelukkig was. Ik probeer me voor te stellen wat haar man moet hebben gedacht op momenten dat hij alleen in zijn eetkamer zat en gebiologeerd naar haar portret staarde, zoals ik er afgelopen zondag. 

Het is ook echt een facinerend portret. In de zachte focus en het clip-obscure herkennen we de invloed van Rembrandt, maar het is niet dat niet wat mij zo trekt. Het is de geportretteerde zelf, haar schoonheid, de dromerige blik, misschien zelfs haar decolleté. De naam Margaritta klopt door mijn hoofd. Het eigentijdse van haar verschijning is frapperend, waaruit ik afleid dat wij mensen zoveel niet veranderd zijn in twee eeuwen tijd. De romans van Scott kunnen nog steeds worden gelezen. Misschien moet ik dat maar eens gaan doen als ik straks wat meer tijd heb.

maandag 16 maart 2026

Stille citaten

 


Ik was gisteren in Edinburgh. Ik loop door de stad, stap een steegje in met de sprookjesachtige naam Lady Stair’s Close, en ik stuit onder mijn voeten, gekerfd in tegels, op een aantal citaten van Schotse schrijvers waarvan ik in de meeste gevallen nog nooit had gehoord. Even wordt het stil in mijn hoofd. Ik laat het even tot mij komen, even alleen, een ervaring door woorden gevormd, de taal voorbij, als door een knip met de vingers. Totdat mijn vrouw roept of ik nog kom. Ze wacht aan het poortje met mijn oudste zoon, die we bezoeken. Snel twee foto’s gemaakt, even rap doorlopen en ik weer terug. Zo snel kan dat gaan. Mooie stad. Mensen die me lief zijn. Mooie dag!


Een intense ervaring, de taal voorbij…


Taal vormt onze ervaringen…

zondag 15 maart 2026

Archetype

 
Sophie als Anna

Tolstoj’s Anna Karenina is een van de mooiste boeken ooit geschreven. Een mooie aristocratische vrouw die vastzit in een huwelijk zonder passie en daar tegen alle conventies in uitbreekt, zich overgeeft aan een hartstochtelijke affaire, uiteindelijk ten koste van haarzelf. Een terugkerende setting in het verhaal die de sociale druk en het voyeurisme van de 19e-eeuwse Russische aristocratie benadrukt. Bovenstaande foto van Sophie Marceau in de verfilming uit 1997 is dan ook exemplarisch. Ik zag drie versies van de film en dacht altijd dat Greta Garbo, Vivienne Leigh en Keira Knightly in hun vertolking niet overtroffen konden worden, maar bij het kijken naar de foto’s van Sophie weet ik het niet meer zo. Wonderbaarlijk hoe goed er altijd gecast is voor Anna. Ik zal ook de versie van Sophie moeten gaan zien, die beschikbaar is, zo heb ik al uitgezocht. Omdat ze zo mooi is. Of zou het komen omdat alleen al de naam Karenina zo diep teruggrijpt op de romantische archetypes uit mijn adolescentenjaren, die ik in geen enkele vorm meer kan verloochenen.