Labels

zondag 21 januari 2018

Paula Rego, “De dienstmeiden”


Paula Rego: ”De dienstmeiden”, 1987

Rego’s “De dienstmeiden” lijkt op het eerste oog een onschuldig huiselijk tafereel weer te geven, in een typisch Portugees interieur ergens rond 1950. We zien twee dienstmeiden, een masculine vrouw des huizes en haar blonde dochter. De vrouw des huizes zit met nederig gebogen hoofd voor de kaptafel, terwijl de meid achter haar naar haar hals reikt, onjuist maar dreigend gereflecteerd op de zonbeschenen wand op de achtergrond. Rechts heeft de andere meid de dochter vastgepakt, die de handen uitstrekt, het hoofd naar beneden gedrukt. Wat is hier aan de hand?

Rego refereert met “De dienstmeiden” aan een gruwelijke geschiedenis die zich in 1933 afspeelde te Parijs en die toen tot veel ophef leidde. De twee zussen Christine en Lea Papin werkten als dienstmaagden voor de familie Lancelin: vader Rene, een gepensioneerde notaris, zijn vrouw Leonie en 21-jarige dochter. Op 2 februari 1933 had de heer des huizes met zijn vrouw en dochter Genevieve afgesproken dat zij naar een vriend zouden komen om daar te eten. Toen ze niet kwamen opdagen reed hij naar huis maar trof alles afgesloten. Alleen op de kamer van de twee dienstmeiden brandde licht. Toen niemand open deed schakelde hij de politie in en forceerde zich een weg naar binnen. Hij trof zijn vrouw en dochter vermoord aan in de huiskamer, totaal onherkenbaar met harde voorwerpen in elkaar geslagen, hun ogen uit de kassen gerukt. De beide zusjes Papin lagen samen naakt bij elkaar in bed, werden gearresteerd en bekenden meteen. Tijdens de rechtszaak konden ze geen verklaring geven. Klaarblijkelijk hadden ze impulsief en zonder reden gehandeld. Duidelijk werd wel dat er sprake was van een traumatische jeugd, vol verwaarlozing en met seksueel misbruik. Christine, de oudste, die het voortouw had genomen, bleek ook te lijden aan manische depressiviteit met psychotische episodes, een stoornis waar ook Rego aan leed.

Rego heeft ooit aangegeven dat haar schilderijen zichzelf schilderden, zonder dat ze er zelf controle op heeft. Ze beschouwd het als een psychoanalytisch proces, met oedipale en magisch-realistische aspecten, vaak uitmondend in groteske en macabere humor. De vrouw des huizes lijkt “gereduceerd”tot een man. De ruimte voelt claustrofobisch aan, niemand kan ontsnappen. De ochtendjas van de symbolisch afwezige man des huizes, rechts van de deur, bevestigt de feminiene agenda. Een gesloten kistje linksonder duidt op een geheim. Een hibiscus in een vaas en een speelgoed luipaardje zijn te zien als koloniale emblemen en daarmee van onderdrukking. Een demonisch zwijntje met ontblootte tanden loopt voorbij een tafeltje met een gebedenboek en een witte lelie, symbool van puurheid maar ook van de dood. Het geheel straalt een beestachtige wreedheid uit. De schaduw op het kleed lijkt op een Rorschach-figuur en bevestigt dat dit soort beelden enkel uit ons onderbewuste kunnen ontspruiten.