Labels

zaterdag 4 juni 2022

Leyster in de eredivisie


Judit Leyster (1609-1660), “Zelfportret”, 1630

Ik heb een boek van Paul Schnabel gekocht over de Nederlandse schilderkunst in de zeventiende eeuw, waarover ik eerder op Wikipedia een lemma schreef. Schnabel stelt een eredivisie samen van de beste schilders uit die tijd: Jan Steen, Caesar van Everdingen, Frans Hals, Gerard ter Borch, GabriĆ«l Metsu, Bartholomeus van der Helst, Rembrandt van Rijn, Jacob van Ruisdael, Pieter de Hooch, Johannes Vermeer, Aelbert Cuyp en Abraham Bloemaert. Ik ben een beetje lijstjesfreak en vraag me af wie ik uit dat overzicht zou wisselen. Uiteindelijk is de enige die er van mij uit zou mogen Abraham Bloemaert. Zijn portretten halen het niet bij Hals en zijn genrestukken kunnen mij als niet klassiek geschoolde weinig boeien. Ik denk weinigen in deze tijd. Wie er dan voor Bloemaert in de plaats zou moeten komen is echter een lastiger verhaal. Ik mis een zeeschilder (Willem van de Velde de jongere, Simon de Vlieger). Ik mis de stillevens (Pieter Clasesz, Floris van Dyck, Maria van Oisterwijk). Ik mis een aantal leerlingen van Rembrandt (Gerard Dou, Samuel van Hoogstraten). Maar misschien mis ik wel vooral een vrouw. En dan kom ik bij Judith Leijster. Ja, die zou het inderdaad moeten worden, al is het maar omdat tijden veranderd zijn. En dat is toch eigenlijk waar Schnabel altijd op focust.


“Man die een vrouw geld aanbiedt”, 1631


“Fluitspelende jongen”, 1635