![]() |
| Cézanne, “De zee bij l’Estaque”, 1878 |
Ik lees Rainer Maria Rilke’s “Brieven over Cézanne”, brieven die hij in 1907 schreef aan zijn vrouw Clara Westhoff, na het bezoeken - dagelijks - van een retrospectieve tentoonstelling van Paul Cézanne. Rilke zag in Cézanne de belichaming van een kunstenaar die zijn innerlijke leven volledig in zijn werk legde, waarbij de grens tussen waarneming en creatie vervaagde.
.
Op 3 juni 2007 schrijft hij aan zijn vrouw:
Hoezeer verschillen zien en denken elders. Je ziet en denkt: later…
Hier zijn ze bijna gelijk. Je bent weer hier: dat is niet vreemd, niet bijzonder, niet merkwaardig <…>. De dingen hier nemen bezit van je, gaan met je verder, met je mee, naar alles toe en door alles heen, door klein, door groot. Alles wat ooit was rangschikt zich anders, stelt zich op in reeksen, alsof iemand erbij staat en bevelen geeft. En het tegenwoordige is tegenwoordig in alle indringendheid, alsof het op zijn knieën voor je ligt en bidt. <… >.
De kern van het meeste psychisch leed is erin gelegen dat mensen vooral in het verleden vertoeven, soms in de toekomst, daar alles herschikken in verkeerde beelden, beelden die niet helpen, meestal beelden zonder schoonheid. De schoonheid dient vooral in de momentane beleving te worden gevonden. In het hier en nu. Zoals Rilke op de Cézanne tentoonstelling. Maar ja, vertel dat maar eens aan de mensen.
