Rilke over de danseressen van Rodin, Parijs, 15-10-1907 (in: Briefe über Cézanne, poëtische vertaling)
En daar waren ze,
Kleine, tere danseressen,
Gazellen, gewijzigd van gedaante,
Lange slanke armen,
Getrokken uit de torso
als uit een lang gehamerd stuk,
Handen als acteurs
Beweeglijk en zelfstandig in hun handeling.
En wat voor handeling,
Boeddha handen,
Zich strekkend, vlak, eeuwig
Aan de rand van een schoot,
Stil,met de palmen naar boven,
Vragend om oneindige stilte.
Handen ontwakend, stel je ze voor,
Vingers gespreid, vingers gebogen
Als de roos van Jericho,
Vingers gelukkig, of angstig,
Aan het einde van de armen:
Dansend!
Het lichaam
Ingezet op evenwicht
Van het eigen lichaam
In de lucht, de atmosfeer
Van het oosterse Goud.
Bij Rilke is het een kleine stap van proza naar poëzie. Van het proza naar verwondering. Van van proza naar een religieuze beleving. Het gonst door mijn gedachten: “En daar waren ze…”.”En wat voor handeling…”. “Stel je ze voor…”.

