Een kleine drie jaar geleden kocht ik een eerste druk van Nescio’s Dichtertje - De uitvreter - Titaantjes, uit 1918. in het hetzelfde jaar aangekocht door Jonkheer David Cornelis Roëll, goede bekende van de schrijver, later hoofddirecteur van het Stedelijk en daarna het Rijksmuseum. David Roëll die kort daarna naar Parijs trok om een dissertatie af te ronden, wat niet lukte, om vervolgens met vrienden een kunstreis door Italië te maken. Denkelijk heeft hij het boekje van meegehad op reis. Het heeft in elk geval veel te lijden gehad. Een eerste druk van Nescio leek me altijd het ultieme bezit, maar het exemplaar van Roëll dat ik bij toeval verworven had was in een dermate verlopen staat dat ik het nog niet helemaal kon voelen.
Na lang dralen heb ik het boekje nu in laten binden door Boekbinderij Phoenix, Philipp Janssen, huizende in Kamperland, waar ik meermaals een rode zon achter de einders zag verdwijnen. Vlakbij Veere, vanwaar Bavink ooit met Japi aan kwam zetten. Vanwaar Grönloh steeds zijn brieven schreef. Waar de zeelucht graaft, zoals ook ik het er voelde, al voor ik het in zijn brief had gelezen.
“Eigenlijk wordt hier helemaal niet gedacht”, schreef hij: “Soms springen mij vanzelf de tranen in de ogen, zoo maar zonder dat ik ergens aan denk, enkel van de welbehagelijkheid."
Tja. Welbehagelijkheid. Een burgerlijk streven waar zelfs Titaantjes niet aan ontkomen. Net zo min als Grönloh zelf. Net zo min als ik. Nu kan ik het wél voelen, dankzij Philipp.
Ik denk ook weer even aan David Roëll. Die er ook niet aan ontkwam. Ik had hem willen vragen wanneer hij het boekje uit het oog heeft verloren. Het zou hem deugd hebben gedaan het zo weer terug te zien.




