Labels

woensdag 28 januari 2026

Das Mädchen ist Tod

 
Egon Schiele, “Tod und Mädchen”, 1915

Der Tod und das Mädchen,
Mädchen ist Tod,
Von Schubert bis Schiele,
Van kleur donkerrood,
Tot sterven gedwongen
Tot leven genood,
Ben jij altijd gebleven,
Wie im letzten Gebot.


dinsdag 27 januari 2026

Der Tod und das Mädchen

 
A.J. Groenewegen, “Der Tod und das Mädchen”, z.j. (ca. 1898)

In de jaren tachtig was ik journalistiek actief, lang ook naast mijn studie. In 1984 interviewde ik de Budelse schilder Hub van Winkel (1912-2004, vooral over zijn leermeester Adriaan Groenewegen, over wie ik al eerder schreef.

Voor mij was het een nieuwe ervaring. Het huis van Van Winkel hing vol met schilderijen, allemaal met koeien, diverse ook van Groenewegen, die hij me met trots liet zien. In de hoek bij de deur hing bovenstaand schilderij van Groenewegen, dat ik nooit heb vergeten. 
Een allegorisch memento mori-werk, meisje voor een spiegel, dat suggereert 
dat de uiterlijke schoonheid van de vrouw slechts een tijdelijke verschijning is en het skelet haar uiteindelijke sterfelijke vorm. Voor mij toen al het mooiste werk eruit. Van Winkel was er bijzonder trots op, vooral ook omdat Groenewegen er zelf altijd zo trots op is geweest, zei hij. Het was het meesterstuk uit zijn academietijd. Tot op het laatst is het in zijn bezit gebleven. Hij had het voorbestemd voor Van Winkel.

Intussen is ook Van Winkel dood en het schilderij is zonder verhaal gaan zwerven. Bij Tussen Kunst en Kitsch verschenen twee mensen, musici, die het op Marktplaats hadden gekocht, zonder te weten van wie het was. Ik herkende het meteen, zag het weer hangen bij Van Winkel. Kleine troost dat het bij die musici op zijn plek lijkt, ze koppelden het aan Schubert’s “Der Tod und das Mädchen”, wat weer mooi was, maar bij mij had het wellicht nog beter gepast. Dan had er weer een cirkeltje rond gekomen in mijn leven.

De taxateur van tussen Kunst en  Kitsch schatte het op 1500 euro. Misschien komt het nog een terug op Marktplaats.




maandag 26 januari 2026

Driehoek


David Hockney, “Mr. And mrs. Clark and Percey”, 1971

“Mr. And mrs. Clark and Percey”, 1971. Een merkwaardig dubbelportret van David Hockney. Zijn bekendste. Ik heb er al eens eerder over geschreven. Afgebeeld zijn modeontwerper Ossie Clark en stoffenontwerpster Celia Birtwell, kort na hun huwelijk, waarbij Hockney getuige was. Ze bevinden zich in hun eigen flat in London. Het roept iets in mij boven dat niet goed kan beschrijven. Als psycholoog zou ik nog wat meer tijd nodig hebben.

Ook Hockney heeft lang moeten zoeken naar antwoorden. Hij werkte een volledig jaar aan “Mr. And mrs. Clark and Percey”. Het gezicht van Ossie Clark schilderde hij twaalf keer over. Hij probeerde een complexe psychologische verhouding en spanning te tekenen zoals hij die waarnam tussen beide echtelieden, die hij tot zijn beste vrienden rekende. Je voelt dat hij het ziet. Beter als een een psycholoog, die vaak hangen blijft in woorden.

Kort na voltooiing van het schilderij ging het koppel uit elkaar. Gesuggereerd is wel dat het schilderij daaraan bijgedragen heeft, wat psychologisch heel goed voorstelbaar is. Wat je verwacht komt vaak uit. Wat ik niet weet is of Hockney daar bewust op aangestuurd heeft. Ik lees dat hij zijn leven lang een platonische vriendschap met Celia Birtwell zou hebben onderhouden. Ze bleef zijn muze en Hockney zou haar nog vaak portretteren. Ook met Ossie Clark bleef hij nog lang bevriend, waarbij zelfs gesuggereerd werd dat ook zij geliefden waren.

In een goed dubbelportret zit altijd een driehoek. Die je niet altijd ziet. Zelfs voor een kunstenaar is dat moeilijk. Ik snap wel datti Ossie’s gezicht twaalf keer schilderde.

Hij leeft nog steeds, Hockney. Wat zou ik hem graag een keertje interviewen.

zaterdag 24 januari 2026

Fietsvakanties en Sinterklaasgedichten




Bij het opruimen van de spullen van mijn overleden moeder stuit ik op een grote doos met herinneringen aan fietsvakanties met mijn vader, van voor hun trouwen, zo’n beetje van 1954 tot 1958. Prentbriefkaarten, entreekaarten, suikerzakjes, allemaal verzameld en ingeplakt in meerdere schriftjes. Foto’s zaten in een ander album, die kende ik al.

Ik vind schoolrapporten, een MULO-diploma, Sinterklaasgedichten. Ik lees er een van mijn moeder, die een trui had gebreid. In mijn hoofd hoor ik het mijn vader hardop voorlezen. En mijn moeder verlegen lachend, zoals dat past op die leeftijd. Twintig of zo. Een mooie leeftijd, een tijd van verwachting. Alles zou beter nog worden. Dat moet het gevoel zijn geweest. Een gevoel dat wat verdwenen lijkt.

Er is weinig wat beklijft, dat is wat ik nu voel. Alles snelt voorbij. Ik kijk naar de foto van mijn ouders op de fiets en voel me een beetje tussen twee werelden. Wie schrijft nog met de hand? Wie spaart er nog suikerzakjes? Toch maar wat bewaren dan? Er spreekt liefde uit die niemand meer voelt, behalve ik misschien. Als ik er ooit niet meer ben mag het weg. Laten we dat afspreken.













donderdag 22 januari 2026

Nocturne

 
Gustave Caillebotte, “Kano’s in de zomer”, 1878


Kalm als een eenpersoons kano,

In een nevel van aanzwellend licht,

Snijdend door een rimpelloos water,

Door de zwaarte tot zweven gezwicht,

Nocturne op een oude piano,

Een rijzende zon in het zicht,

Vloeit het heden voorbij aan het later,

Bevroren in stilte 
                                       gedicht.


maandag 19 januari 2026

In bed




We liggen al in bed,
Elkaar wat te vervelen,
Het nieuws is uitgezet,
Het kan ons niet meer schelen.


zondag 18 januari 2026

Bewaarde trots

 


Mijn moeder groeide op in een tijd die wij ons nauwelijks nog kunnen voorstellen, voor- en tijdens de oorlog. Er was niks, met niks moest je beginnen. Nog geen week na het behalen van het MULO-diploma had haar vader al een baan op kantoor geregeld, bij de fabriek waar hij werkte. Salaris moest worden ingeleverd.

Toch moet er ergens ook wat gespaard zijn. In de aanloop van haar trouwen in 1958 had mijn moeder thuis een kist op zolder staan, waar allerlei spulletjes in zaten, voor de uitzet. Tante Sjaan mocht daar af en toe in kijken, hoorde in bij de crematie, en dan was ze trots. Wat zou erin hebben gezeten?

Ik weet dat mijn moeder een reeks boeken had, volgens mij via tijdschrift Margriet. Later heb ik daar de Zwerver-romans van Van Schendel nog uit gelezen. “Ik zag die al helemaal in mijn eigen kamer staan”, zei ze me ooit. Tientallen jaren hebben ze daar nog gestaan. Naast de oorlogboeken van mijn vader.

Ik weet niet of het servies en bestek in haar kist hebben gezeten, maar het moet er in elk geval zijn geweest vanaf haar moment van trouwen. Toen ik klein was kwam het bij gelegenheden uit de kast. Met kerstmis, Pasen. En alle herinneringen die daaraan gekoppeld zijn. Het waren spullen om trots op te zijn. 

Bij haar overlijden stond het nog steeds in de kast, het servies althans, nog vrijwel compleet. Op Marktplaats werd geen interesse getoond, mijn zus en ik hebben geen plaats. Nu gaat het naar de kringloop, waar het voor een habbekrats meegenomen kan worden. Of niet. Waarmee de kist met de uitzet voorgoed wordt gesloten.

Ik denk aan mijn boekenverzameling, zo met zorg opgebouwd, en wat daar straks mee gaat gebeuren. Waarvan ik alleen de waarde ken. Mijn moeder hoopte steeds dat ze anderen na haar overlijden nog blij kon maken met haar spulletjes. Tevergeefs, bleek uiteindelijk. Ik snap nu wat beter wat ze voelde.




woensdag 14 januari 2026

Op een snijvlak

 
Foto Emile Savitry

Dus kom op lieve vrienden, 
                 ben niet bang,

Ben wie je bent, 
                en wie je bent
                           in liefde geraakt

We zijn zo wuft op deze wereld
          op het snijvlak
                                van twijfel en schijnen,

Het is uit liefde
                           dat we zijn gemaakt

In liefde 
                            zullen we verdwijnen


(deels en vrij naar Leonard Cohen)

maandag 12 januari 2026

Complimentjes

 


Voor ik psychologie studeerde bezocht ik een ondrwijzersopleiding. Daar kreeg ik les in handvaardigheid en kreeg van de docent complimenten over mijn klei-werkjes. Tegen de groep zei hij een keer dat ik dat goed in mijn vingers had: “Een paar keer kneden en de basisvorm zit er direct al in”. Dat compliment heb ik altijd onthouden.

Over een poosje ga ik met pensioen en soms denk ik over een nieuwe hobby. Ik denk ook wel eens aan beeldhouwen, wellicht vanwege het compliment. Maar waar laat ik de hele rommel, denk ik dan, mijn boeken nemen al zoveel ruimte in. Toch maar een boek schrijven, lijkt me. Of pianospelen.

De school werkstukjes nam ik indertijd mee naar huis. Ik had er niet zoveel mee, maar mijn moeder was ook complimenteus, zette ze op plekjes in huis. Nu bijna een halve eeuw later is ze overleden en bij het opruimen van de boedel komen ze weer boven water. Eentje stond onopvallend in de keuken, een ander op de logeerkamer. Een staande figuur die ik me ook nog herinner heb ik niet meer gevonden. Ik weet niet goed wat ik er mee moet. Ik heb er nog steeds niet zoveel mee, maar vind het toch aandoenlijk dat mijn moeder ze al die tijd bewaard heeft. Ik maak er in elk geval maar een paar foto’s s van. En een herinnering in dit blog. Dan blijft er sowieso iets van behouden.




zondag 11 januari 2026

Souveniertje

 


Mijn moeder is dood en nu gaat het huis verkocht worden. Het huis moet leeg. We zijn druk aan het opruimen en van alles komt tevoorschijn.

Ik vind een zilveren lepeltje uit Utrecht. In de jaren vijftig gingen mijn ouders vaak op fietsvakantie. Overal woonde wel iemand waar ze konden logeren. Blijkbaar waren ze ook in Utrecht. Midden jaren vijftig moet het zijn geweest. Altijd nam mijn moeder een souveniertje mee.

Ik herken het lepeltje nog van toen ik klein was. Mijn hele leven lang lag het in de keukenla. En het lag er nog. Er waren meer van dit soort zilveren lepeltjes, maar dit is het enige dat niet verloren is gegaan. Mijn jongste zoon woont in Utrecht en neemt het mee, terug zou je kunnen zeggen. Elke cirkel komt een keer rond. Bij het einde keert alles terug.

vrijdag 9 januari 2026

Wie is wie?




Twee portretten van de in 1942 te Auschwitz overleden Haagse kunstschilder Abraham Fresco, wiens lemma ik schreef op Wikipedia. Het rechter portret is eigendom van het Joods Kultureel Kwartier te Amsterdam en wordt aangeduid als “Portret van Dé-tje”, geschilderd in 1940. Deborah Engelsman was de vrouw van Fresco, eveneens overleden te Auschwitz in 1940, net als hun dochtertje Marga, geboren in 1929, een jaar na het huwelijk tussen Fresco en Engelsman.

Het linker portret van Fresco werd kwam 2025 onder de hamer bij het Zeeuws Veilinghuis onder de titel “Portret van Deborah Fresco”, zonder datum, aangeboden door een ver familielid van de schilder. Het portret werd voor 3400 euro verworven door mevrouw Seline Hofker, die met overtuiging via de media meldde dat het niet ging om Deborah, maar om haar grootmoeder Mary Georgette Geisenhainer, die rond 1937 volgens haar geposeerd zou hebben voor Fresco. “Ik keek recht in de ogen van mijn grootmoeder”, liet ze opkomen. Ze onderbouwde haar bewering door onderstaande foto van haar om te laten plaatsen naast het door Fresco geschilderde portret.




Zegt u het maar! De gelijkenis tussen beide portretten lijkt net zo onmiskenbaar als die tussen de foto en het portret dat volgens Hofker van Mary Georgette Geisenhainer zou zijn. Een sterk gelijkende dame komt ook nog eens terug op een aankondiging van een Fresco-tentoonstelling in Den Haag, de enige solo-tentoonstelling die hij ooit had. Seline Hofker heeft het in bezit en beweert dat ook dat portretje haar oma betreft, maar je zou ook kunnen denken dat Freaco zijn vrouw op de nkondiging zou willen laten prijken. Ook denk ik, als het door Hofker verworven portret altijd in bezit van een ver familielid van Fresco is gebleven, dit ook in de richting van Deborah zou kunnen wijzen. Van de nadere kent heeft Hofker natuurlijk ook een overtuigend verhaal, zeker ondersteund door de foto.

Eigenlijk moet het me natuurlijk ook niks kunnen schelen. Maar toch zou ik het ergens jammer vinden als het door Hofker zo zeker aan haar grootmoeder gelinkte portret toch van Deborah Engelsman zou zijn geweest, als hr nm en een mensenleven later toch nog vanaf getrokken zou worden. Ik weet niet goed waarom.



En wie zou dit dan zijn hieronder? Zelfde kapsel, ook gesigneerd door Fresco.




donderdag 8 januari 2026

Draden langs enkel leven

 
Albert Guillaume, “Theetijd”, ca. 1910

Draden voorbij het ongeloof
                               en de nooit ervaren bevrijding,
Voorbij verloren Godsgeloof
                                en te traag gekomen tijding,
  Draden langs een enkel leven,
                                   samengetrokken na spreiding,
     Draden die me vaag verbinden
                                   voorbij de gedichte scheiding.


Jaren geleden was ik in Auschwitz. Ik liep langs hele gang met koffers achter een glazen afscheiding. Links in de hoek ligt een grote bruine met in koeienletters Karel van Gelderen erop gekalkt. Ik schreef er een blog over.

Op LinkedIn zie ik af en toe wie mijn pagina heeft bezocht. Corien Glaudimans, historica, ik zag waar ze mee bezig was en meteen ging er een lichtje branden. Er ontspon zich een ultrakort gesprekje.

Ik: Dag Corien. Volgens mij linken wij via Karel van Gelderen. We kennen elkaar verder niet maar toch leuk en bijzonder dat zoiets zoveel jaren later kan gebeuren. Fijne dag gewenst.

Corien: Beste Pim, Dat klopt. Ik schrok bij het zien van de foto van de koffer van Karel van Gelderen. Joop Lessing, de zwager van Karel van Gelderen, was mijn oom. Van mijn neven had ik al gehoord dat zijn koffer in Auschwitz was. Zelf ben ik adviseur van de Stichting Joods Erfgoed Den Haag en doe veel onderzoek en sinds enige jaren ook voor mijn neven Dio en Paul Lessing. Dank voor de reactie en hartelijke groet Corien Glaudemans

Zo houden we mensen toch nog een beetje in leven.
  • Corien Glaudemans sent the following message at 10:57 AView Corien’s profilCorien Glaude

dinsdag 6 januari 2026

Wegkijken

 


Mijn theorie is dat de mensheid steeds slechter wordt. Ik geloof, zo te zeggen, in een soort omgekeerde evolutie. De laatste man op aarde zal én een misdadiger én een krankzinnige zijn.

Nog een keer een citaat van Isaac Bashevis Singer. Uit “Vijanden: een liefdesroman”, dat ik net gelezen heb. Ik markeerde het citaat.

Het zijn de woorden van hoofdpersoon Herman, die aan de Holocaust ontkwam. Voor altijd op de vlucht. Misschien ben ik ook wel een beetje op de vlucht, en duik ik weg in mijn boeken, mijn gedachten. Iedereen is op de vlucht. En maar hopen dat het ons niet overvallen zal.

Trump ontvoerd Maduro, alsof we in een film zitten. Een film die nooit af is. Het wordt er niet beter op. Het zijn sombere tijden.

En zo varen we voort, schreef Scott Fitzgerald, schepen tegen de stroom op, onophoudelijk teruggevoerd naar het verleden.

maandag 5 januari 2026

Literatuurwetenschapper

 


AI kan van iedereen een literatuurwetenschapper maken.

De AI-modus van Google geeft op mijn vraag wat de link is tussen Nescio en David Cornelis Roëll:

De link tussen Nescio en 
jonkheer David Cornelis Roëll (1894–1961) ligt in hun gezamenlijke vriendenkring, waarbij Roëll vaak wordt genoemd als een van de figuren uit de omgeving van de schrijver.
Hoewel de personages in Titaantjes primair gebaseerd zijn op leden van de vriendenclub 'Tames' (opgericht rond 1900), was Roëll een belangrijke tijdgenoot en vriend van Nescio (Frits Grönloh) in latere jaren.
De belangrijkste punten van hun connectie zijn:
    • Vriendschap: Roëll, die later een vooraanstaand museumdirecteur werd (onder andere van het Rijksmuseum), behoorde tot de intellectuele en artistieke kring waarin Grönloh zich begaf.
    • Correspondentie: Er is correspondentie bewaard gebleven tussen Nescio en Roëll, die inzicht geeft in hun persoonlijke band en gedeelde interesses in kunst en literatuur.
    • Geen direct model voor de hoofdpersonages: In tegenstelling tot figuren als Jopie Breemer (Japi) of Jacob Bendien (Bavink), wordt Roëll doorgaans niet aangewezen als het directe model voor een van de vijf oorspronkelijke 'titaantjes' (Bekker, Bavink, Hoyer, Ploeger, Koekebakker). Hij was aanzienlijk jonger dan de leden van de oorspronkelijke Tames-groep waarop het boek uit 1915 is gebaseerd.
    • Kortenhoef: In zijn studentenjaren, rond 1916, verbleef Roëll vaak bij de familie van de schilder Gerard Hordijk. Hij verbleef dan op een woonboot in de Kortenhoefse Plassen, wat zijn interesse in kunst en landschap verder stimuleerde. Ook Nescio maakte in die periode vaak fietstochten naar Kortenhoef.
In de literatuurgeschiedenis wordt Roëll vooral vermeld als een bewonderaar en vriend die hielp het werk van Nescio onder de aandacht te houden bij een breder publiek van kunstliefhebbers.
De informatie is volgens AI gebaseerd op het Nescio-archief en correspondentie tussen Roëll en Grönloh, waar ik niet bij kan, welke ik niet kan verifiëren.
Maar volgens AI waren vermoedens dus juist, zo lijkt het. Roëll en Gröhnloh waren bekenden, Roëll was een der eersten die in 1918 de eerste verhalenbundel van Nescio / Grönloh kocht en een van diens eerste bewonderaars.

Onderbouwing voor mijn vermoeden dat Roëll deels model heeft gestaan voor Hoyer en misschien zelfs voor het scepticisme van Bavink heeft AI mij niet kunnen leveren. 

Bavink zei tegen Koekebakker: “Je schildert twee horizontale banen, onder elkaar, even breed, een blauwe en een goudgele en in ‘t midden van die blauwe baan maak je een ronde goudgele vlek. En dan zetten we in de catalogus: No. 666 De Gedachte (…) en we prijzen ‘t voor 800 NFL. Je zult eens zien wat ze er in ontdekken. Van alles, waar je zelf nooit een flauw benul van gehad hebt”.

Ik hoor daar nog steeds Roëll in. Zou zomaar in een van zijn brieven aan Grönloh hebben gestaan, ware het niet dat AI zegt dat Nescio en Roëll elkaar pas rond 1916 leerden kennen en Titaantjes in 1915 al verscheen in Groot Nederland. Niet alles kunnen we via AI aan elkaar breien. Of AI breit het wel verkeerd aan elkaar.

Misschien klopt er ook wel allemaal niks van. Maar naam en jaartal blijven staan.






zaterdag 3 januari 2026

Welbehaaglijkheid

 


Een kleine drie jaar geleden kocht ik een eerste druk van Nescio’s Dichtertje - De uitvreter - Titaantjes, uit 1918. in het hetzelfde jaar aangekocht door Jonkheer David Cornelis Roëll, goede bekende van de schrijver, later hoofddirecteur van het Stedelijk en daarna het Rijksmuseum. David Roëll die kort daarna naar Parijs trok om een dissertatie af te ronden, wat niet lukte, om vervolgens met vrienden een kunstreis door Italië te maken. Denkelijk heeft hij het boekje van meegehad op reis. Het heeft in elk geval veel te lijden gehad. Een eerste druk van Nescio leek me altijd het ultieme bezit, maar het exemplaar van Roëll dat ik bij toeval verworven had was in een dermate verlopen staat dat ik het nog niet helemaal kon voelen.

Na lang dralen heb ik het boekje nu in laten binden door Boekbinderij Phoenix, Philipp Janssen, huizende in Kamperland, waar ik meermaals een rode zon achter de einders zag verdwijnen. Vlakbij Veere, vanwaar Bavink ooit met Japi aan kwam zetten. Vanwaar Grönloh steeds zijn brieven schreef. Waar de zeelucht graaft, zoals ook ik het er voelde, al voor ik het in zijn brief had gelezen. 

“Eigenlijk wordt hier helemaal niet gedacht”, schreef hij: “Soms springen mij vanzelf de tranen in de ogen, zoo maar zonder dat ik ergens aan denk, enkel van de welbehagelijkheid."

Tja. Welbehagelijkheid. Een burgerlijk streven waar zelfs Titaantjes niet aan ontkomen. Net zo min als Grönloh zelf. Net zo min als ik. Nu kan ik het wél voelen, dankzij Philipp.

Ik denk ook weer even aan David Roëll. Die er ook niet aan ontkwam. Ik had hem willen vragen wanneer hij het boekje uit het oog heeft verloren. Het zou hem deugd hebben gedaan het zo weer terug te zien.










donderdag 1 januari 2026

Positief denken

 
“Promenade op het dek van de Titanic”, AI-plaatje, mooi beeld.


Oudejaarsavond. We spraken we over AI. Over kentering.

Nu nieuwjaarsdag. Ik kijk wat op de nieuwssites, maar vrolijk wordt ik er nog niet van. Zelfs de nieuwjaarsduik is afgelast.

Maar de dagen gaan weer lengen. Ik krijg weer zin in de lente, de zomer.

Laten we positief denken vandaag. De vooruitgang leunt zwaar op hoop en optimisme. Iedereen leunt zwaar op hoop en optimisme.

Niet bang zijn voor de ramp die nog niet is gebeurd. 

Alles komt goed. 

Voor wie dit leest, een heel voorspoedig en vooral gezond 2026 toegewenst. Alle goede wensen helpen!