Mijn moeder groeide op in een tijd die wij ons nauwelijks nog kunnen voorstellen, voor- en tijdens de oorlog. Er was niks, met niks moest je beginnen. Nog geen week na het behalen van het MULO-diploma had haar vader al een baan op kantoor geregeld, bij de fabriek waar hij werkte. Salaris moest worden ingeleverd.
Toch moet er ergens ook wat gespaard zijn. In de aanloop van haar trouwen in 1958 had mijn moeder thuis een kist op zolder staan, waar allerlei spulletjes in zaten, voor de uitzet. Tante Sjaan mocht daar af en toe in kijken, hoorde in bij de crematie, en dan was ze trots. Wat zou erin hebben gezeten?
Ik weet dat mijn moeder een reeks boeken had, volgens mij via tijdschrift Margriet. Later heb ik daar de Zwerver-romans van Van Schendel nog uit gelezen. “Ik zag die al helemaal in mijn eigen kamer staan”, zei ze me ooit. Tientallen jaren hebben ze daar nog gestaan. Naast de oorlogboeken van mijn vader.
Ik weet niet of het servies en bestek in haar kist hebben gezeten, maar het moet er in elk geval zijn geweest vanaf haar moment van trouwen. Toen ik klein was kwam het bij gelegenheden uit de kast. Met kerstmis, Pasen. En alle herinneringen die daaraan gekoppeld zijn. Het waren spullen om trots op te zijn.
Bij haar overlijden stond het nog steeds in de kast, het servies althans, nog vrijwel compleet. Op Marktplaats werd geen interesse getoond, mijn zus en ik hebben geen plaats. Nu gaat het naar de kringloop, waar het voor een habbekrats meegenomen kan worden. Of niet. Waarmee de kist met de uitzet voorgoed wordt gesloten.
Ik denk aan mijn boekenverzameling, zo met zorg opgebouwd, en wat daar straks mee gaat gebeuren. Waarvan ik alleen de waarde ken. Mijn moeder hoopte steeds dat ze anderen na haar overlijden nog blij kon maken met haar spulletjes. Tevergeefs, bleek uiteindelijk. Ik snap nu wat beter wat ze voelde.