Mijn moeder was niet van het weggooien. Ze zag het niet meer goed en regelmatig moesten we in haar laatste jaren al levensmiddelen uit de voorraad verwijderen die soms jaren over de datum waren. “Ons mam ziet het niet meer”, was dan het excuus.
Maar dat excuus ging niet altijd op. Ik pik er twee dingen uit die bij het opruimen door mijn handen gingen, die er mijn leven lang zijn geweest. Die me terugbrengen naar momenten die hooguit mijn zus nog een beetje met me deelt. Zonder bijzondere nostalgie overigens.
De broodtrommel die al in mijn kleuterjaren op een plank bij de kelder stond en waar ik toen niet bij kon, omdat er een trapgat voor zat en ik nog te klein was. Reden waarschijnlijk waarom er toen ook wel lekkere dingen in gezet werden, waar ik niet aan mocht. Cake bijvoorbeeld. Ik herinner me dat ik eens probeerde of ik erbij en bijna in het gat viel. En mijn moeder boos..
In een la vind ik een broodmes dat in mijn kinderjaren altijd hoog in een keukenkastje lag, alweer omdat ik er niet aan mocht. Omdat het te scherp was. Nu ligt het gewoon in de keukenlade en mag ik er gewoon bij. Ik voel over het lemmet. “Het snijdt nog goed”, hoor ik mijn moeder in gedachten zeggen. “Waarom zou je het weggooien?”
We kunnen niet anders dan het alsnog weggooien. Het zijn spullen zonder nostalgische waarde, ik zei het al, maar toch doet het een beetje pijn er afscheid van te nemen. Omdat de pijn van het afscheid vaak zit in onbeduidende dingen.
Laat ik het zo maar een beetje verwoorden. Het levert geen mooie plaatjes op. Daarom maar openen met een AI-plaatje. Een beetje tegen mijn principe in.