Labels

zondag 29 maart 2026

Naast elkaar


Marie Krøyer (Triepcke) door Bertha Wegmann (detail), 1885

Zoveel rimpels
Dunner haar
Stram van leden
Ietsje te zwaar
Alles wat minder
Ieder nieuw jaar

Blijft dat ventje

                          goed bewaard

Kort van adem

  Veilig       

                   kwetsbaar

Ik en mijn moeder

                      naast elkaar.

vrijdag 27 maart 2026

Aflopende tijd

 
Gustav Klimt, “Scloss Kammer am Attersee IV”, 1910

Wat beweegt een schilder om een bepaald thema tot onderwerp te maken van een schilderij? Ik vraag me dat af en kijk naar een landschap van Klimt. Portretten maakte hij regelmatig in opdracht, maar waarom ging hij zitten tegenover Schloss Kammer aan de Attersee.

Of in een bootje.

Klimt maakte regelmatig boottochtjes met Emilie Flöge over de Attersee. Hij moet getroffen zijn door de schoonheid van het tafereel, zoals ik bij het kijken naar zo’n schilderij. Ik voel zijn rust in een tijd vol onrust en dreiging.

Er zit meer als 100 jaar tussen, maar zo ontstaat er toch een verbinding waarin tijd geen rol speelt. Ik voel zijn zwaarmoedigheid, een zekere eenzaamheid, maar ook het gevoel dat het leven mooi kan zijn. Als troost.

Maar dat alles is niet om te zeggen dat de tijd geen rol speelt. Alles loopt af, en tegelijk ook weer niet.

woensdag 25 maart 2026

We weten het niet

 
Eric Harald MacBeth Robertson, “Miss Maidie And Miss Elsie Scott”, 
170 x 137 cm, National Galleries of Scotland, Edinburgh


‘De zee die klaagt en weet niet waarom’; ‘de aarde <…> waaruit ‘t kooren groeit, dat groen is en geel wordt en wordt gemaaid en de hoge garven staan op de geele stoppels, en de aarde weet er niet van’; en de lucht en het kanaal en de schemering en het licht zouden er altijd weer zijn, ‘en ze zouden nergens van weten’.


Wat kun je van Nescio leren? Dat vraagt Paul van Tongeren zich af. Helpt het als je je in de persoon van Frits Grönloh verdiept?

Je kunt natuurlijk, zeker hier in Nijmegen waar de auteur graag kwam en veel gewandeld heeft, proberen van alles over hem te weten te komen. Maar zo ontdek je alleen iets over degene die zich achter dat pseudoniem verborg, niet over wat dat pseudoniem zelf, wat Nescio te zeggen heeft.


Als het ons niet om Frits Grönloh, maar om Nescio te doen is, en als we niet zijn als de vrouw van de auteur van Dichtertje, die dat onderscheid niet wist te maken, dan lijkt er maar één bron te zijn, en dat is de auteur zelf; en die heeft gezegd wat hij te zeggen had in zijn paar verhalen (de vele schetsen en pogingen zijn door de auteur zelf teruggehouden en de honderden bladzijden natuur-dagboek zijn waarschijnlijk eerder van Grönloh dan van Nescio). We moeten het doen met die krap 200 bladzijden prozagedichten.


Dat schrijft Paul van Tongeren. Ik schreef ook al een zoiets naar aanleiding van de verschijning van de dikke Nescio-biografie van Frerichs.


Ik heb in dit blog tot hier doen met krap 2000 stukjes geschreven, niet minder dan dat. Veel kan gezien worden als schetsen en pogingen, die ik misschien wel had moeten terughouden. Ik denk dat alleen mijn stukjes die een beetje aan de schaduw raken er een beetje toe kunnen doen. Ik vrees dat het er niet zoveel zijn, misschien een paar gedichtjes. De rest is enkel maskers, zonder essentie. Als je de maskers weghaalt blijft er weinig meer over. Ook bij mij niet. Bij niemand. We weten het niet, om met Nescio te spreken.

Misschien dat ik ooit nog ga schiften. En anders mag iemand anders het doen. Met mijn permissie.

maandag 23 maart 2026

In de lentezon schrijf ik

 


In de lentezon schrijf ik
Wat woorden 
  die kringelend
             mijn blaadje beslaan,
Er tussen het kringelen door 
    zie ik een heel 
                           klein jongetje gaan,
Zoekend zonder zorgen,
            zonder doel, 
            zonder ergens 
                          bij stil te staan,
Want de doelen komen later, 
           en zorgen erachteraan,

Hè jongetje roep ik, 
                  zo ver van mij vandaan,
Hé jongetje roep ik, 
           ik roep en hoor mijn naam,
Hé jongetje, 
Hé jongetje, 
                      blijf toch even staan,
 Je bent zo ver 
                          zo ver van mij vandaan,
En toch voel ik je bijna, 
                  bijna raak ik je aan
Heel even kan ik er bijna weer aan,
Ik laat je niet gaan, 
                ik laat je niet gaan,



zaterdag 21 maart 2026

Verzamelaars

 


Maar voor ons betekent het dat we achterblijven met drie schitterende verhalen die ons onherstelbaar en onuitwisbaar hebben geraakt. Misschien ook een beetje verblind, maar dan zoals de titaantjes die, nadat ze uren naar de zon hadden zitten kijken, daarna nog veel meer uren lang vooral gele vlekken in hun ogen zagen. Maar die verblinding hoort bij een verwonding die we koesteren.


Paul van Tongeren


Van de eerste druk van Nescio's bundel 
Dichtertje - De uitvreter - Titaantjes uit 1918 zijn er naar schatting nog slechts enkele tientallen tot hooguit honderd exemplaren in omloop (bron De Volkskrant, 2018). Ik heb er eentje van, in een jammerlijk versleten staat, maar prachtig opnieuw ingebonden door Boekbinderij Phoenix. Laten we maar eens zeggen dat er nog een aantal exemplaren buiten zicht zijn en dat er in totaliteit, met een beetje oprekken, nog 125 originele exemplaren bestaan.

Dat oprekken doe ik een beetje omdat ik inmiddels ook een boekje van Paul van Tongeren over Nescio heb verworven, oplage, jawel: 125 stuks. Mijn vrouw vroeg me of dat wat uitmaakte. Vijftig euro voor zo’n dun boekje, 36 bladzijdes, bij een eenvoudig psychologensalaris. Eigenlijk niet, was mijn antwoord, maar ik wist natuurlijk beter. Mensen blijven verzamelaars. Noten zoeken, honderdduizend jaar. Klein boekje, groot geluk. Soms moet je die momentjes zelf creëren, zeg ik tegen mijn cliënten.


woensdag 18 maart 2026

Kloppend in mijn hoofd

 
Sir Henry Raeburn, “Mrs Robert Scott Moncrieff”, 1814,
76,5 x 64 cm, National Galleries of Scotland.

Ik was in  de National Galleries of Scotland in Edinburgh en verbaasde me over de kwaliteit van de collectie. Tussen de schilderijen van Rembrandt, Vermeer, Hals, werd ik getroffen door bovenstaand portret van Sit Henry Raeburn (1756-1823) uit 1814. De geportretteerde is Margaritta MacDonald, oftewel Mrs Robert Scott Moncrieff (1779-1824). Haar echtgenoot, een wijnhandelaar uit Edinburgh, vriend van Raeburn en Ivanhoe-schrijver Walter Scott, die hem beschreef als bescheiden en vriendelijk. Toen ze op 45-jarige leeftijd overleed was hij ontroostbaar. Bijna dertig jaar zou hij haar overleven zonder te hertrouwen en hield het portret altijd prominent zichtbaar in zijn eetkamer.

Dit is wat ik kan vinden. Geen idee waaraan Margaritta is overleden. Geen idee ook of ze net zoveel van haar man hield als hij van haar. Of ze gelukkig was. Ik probeer me voor te stellen wat haar man moet hebben gedacht op momenten dat hij alleen in zijn eetkamer zat en gebiologeerd naar haar portret staarde, zoals ik er afgelopen zondag. 

Het is ook echt een facinerend portret. In de zachte focus en het clip-obscure herkennen we de invloed van Rembrandt, maar het is niet dat niet wat mij zo trekt. Het is de geportretteerde zelf, haar schoonheid, de dromerige blik, misschien zelfs haar decolleté. De naam Margaritta klopt door mijn hoofd. Het eigentijdse van haar verschijning is frapperend, waaruit ik afleid dat wij mensen zoveel niet veranderd zijn in twee eeuwen tijd. De romans van Scott kunnen nog steeds worden gelezen. Misschien moet ik dat maar eens gaan doen als ik straks wat meer tijd heb.

maandag 16 maart 2026

Stille citaten

 


Ik was gisteren in Edinburgh. Ik loop door de stad, stap een steegje in met de sprookjesachtige naam Lady Stair’s Close, en ik stuit onder mijn voeten, gekerfd in tegels, op een aantal citaten van Schotse schrijvers waarvan ik in de meeste gevallen nog nooit had gehoord. Even wordt het stil in mijn hoofd. Ik laat het even tot mij komen, even alleen, een ervaring door woorden gevormd, de taal voorbij, als door een knip met de vingers. Totdat mijn vrouw roept of ik nog kom. Ze wacht aan het poortje met mijn oudste zoon, die we bezoeken. Snel twee foto’s gemaakt, even rap doorlopen en ik weer terug. Zo snel kan dat gaan. Mooie stad. Mensen die me lief zijn. Mooie dag!


Een intense ervaring, de taal voorbij…


Taal vormt onze ervaringen…

zondag 15 maart 2026

Archetype

 
Sophie als Anna

Tolstoj’s Anna Karenina is een van de mooiste boeken ooit geschreven. Een mooie aristocratische vrouw die vastzit in een huwelijk zonder passie en daar tegen alle conventies in uitbreekt, zich overgeeft aan een hartstochtelijke affaire, uiteindelijk ten koste van haarzelf. Een terugkerende setting in het verhaal die de sociale druk en het voyeurisme van de 19e-eeuwse Russische aristocratie benadrukt. Bovenstaande foto van Sophie Marceau in de verfilming uit 1997 is dan ook exemplarisch. Ik zag drie versies van de film en dacht altijd dat Greta Garbo, Vivienne Leigh en Keira Knightly in hun vertolking niet overtroffen konden worden, maar bij het kijken naar de foto’s van Sophie weet ik het niet meer zo. Wonderbaarlijk hoe goed er altijd gecast is voor Anna. Ik zal ook de versie van Sophie moeten gaan zien, die beschikbaar is, zo heb ik al uitgezocht. Omdat ze zo mooi is. Of zou het komen omdat alleen al de naam Karenina zo diep teruggrijpt op de romantische archetypes uit mijn adolescentenjaren, die ik in geen enkele vorm meer kan verloochenen.




         



vrijdag 13 maart 2026

Zeker niet alles



                             Liefde is zeker niet alles, 
                                         geen vlees, geen drinken,
                             Geen sluimerslaap, 
                                         geen dak tegen regen,
                             Niet eens het drijfhout 
                                         voor mensen die zinken,
                             En boven komen, 
                                   en zinken
                                          en boven komen, 
                                                  en weer zinken,
                             Liefde is het leven 
                                          nooit echt ontstegen.

 

Met dank aan Edna St.Vincent Millay 

Love is not all: it is not meat nor drink
Nor slumber, nor a roof against the rain;
Nor yet a floating spar to men that sink
And rise and sink and rise and sink again.


woensdag 11 maart 2026

Interieurs Niçoise

  

Henri Matisse schildert zijn model Henriette Darricarrère, Place Charles-Felix studio, Nice, 1921. 
Foto 
Marguerite Matisse.

In december 1917 vestigde Henri Matisse zich in Nice en huurde daar een kamer in Hôtel Beau-Rivage, waar hij tot 1921 zou verblijven. Daarna verhuisde hij naar een appartement met atelier aan de Place Charles-Félix. Matisse schilderde er een groot aantal interieurs, veelal met vrouwen, zoals zijn dochter Marguerite en zijn belangrijkste model uit die periode Henriette Darricarrère. De werken werden gekenmerkt door helder licht, felle kleuren en een focus op decoratieve vaak oosters-exotische motieven, waarbij hij de kleuren van het weefsel probeerde te "vertalen" in de kleuren van zijn palet. De blik van de vrouwen is onverkort afwezig, contemplatief. Opvallend is het gebruik van zwart in kleur van zijn licht. 

Ik zou een kleine tentoonstelling willen openen en een net zo kleine catalogus schrijven, die ik zou openen met een vrij vertaald stukje van het gedicht dat Louis Aragon in 1947 over Matisse schreef:

J'explique le parfum des formes passagères Ik leg de geur uit van vluchtige vormen
J'explique ce qui fait chanter le papier blanc Ik leg uit hoe het wit papier zingt
J'explique ce qui qu'une feuille est légère Ik leg uit hoe licht een blaadje brandt
Et les branches qui sont des bras un peu plus lents En de takken als armen zo traag

Hieronder een twaalftal werken, rustgevend in zichzelf:


De boudoir, 1921


Jong meisje in Moorse stijl, groene jurk, Nice, 1921


Het Moorse scherm, 1920


Vrouw aan het raam, Nice, 1921


Jonge vrouw speelt viool, 1921


Interieur te Nice, 1921


Meditatie na het bad, 1920


Vrouw leest aan de kaptafel, Nice, 1919


Boten in Nice, 1921


Interieur in Nice, 1920


Soest, interieur in Nice, 1922


Zittende vrouw met de rug naar het open raam, Nice, 1922

dinsdag 10 maart 2026

Humor in wording

 
Barend met frieten

Barend Servet is dood. IJf Blokker, zoals hij eigenlijk heette.

Ik was een jaar of twaalf dertien toen de Barend Servet Show op de televisie was. Ik hoor mijn moeder nog mopperen, hoe ordinair het allemaal niet was. Maar het stond wel op. Misschien dat mijn vader daar de hand in had, ik weet het niet, maar voor mij was dit een hele nieuwe vorm van vermaak. En voor het eerst geloof ik zag ik af en toe blote borsten. Wat nu niet meer kan was toen progressief, VPRO.

Wat ook nieuw was was de absurdistische humor, die ik leuk vond, maar mijn ouders niet. En toch keken ze. 

Op Wikipedia vind ik een foto van Servet met een zak frieten. Ik herinner me de scène nog: Servet heeft frieten besteld maar komt uiteindelijk een paar frank tekort om de versnapering te betalen. “Oh, maar dan pakken we toch gewoon een paar frieten terug”, zegt frietkothouder Van Oekel, en graait door de mayonaise heen om de daad bij het woord te voegen. Smerig, vond mijn moeder, maar ik herinner me meer dan een halve eeuw later nog altijd hoe ik innerlijk lachte. Zonder dat ik kan zeggen of dit nu de basis vormde voor mijn uiteindelijke gevoel voor humor.

zaterdag 7 maart 2026

Nooit uitgesproken

 
George Hendrik Breitner, “Staand naakt”, 1893

Ik zou wel eens een psychologisch-kunsthistorisch onderzoek willen doen naar de vraag in hoeverre het vroeger, laat ik zeggen in de voorbije twee eeuwen, voor de beroepskeuze van kunstschilders bepalend is geweest dat dit vak een soort van gelegaliseerd werken met naakte vrouwen inhield. Je zou dat ook kunnen doen voor dokters, maar ik houd het even bij schilders. Ik vrees alleen dat ik er nooit achter ga komen. Ook een psycholoog kan niet in de hoofden van andere mensen kijken. Wat ze niet uitspreken of nooit uitgesproken hebben kan nooit en al zeker niet met terugwerkende kracht worden vastgesteld, hooguit worden vermoed. En ik ben nog niet tegen gekomen dat iemand daar volledig open over is geweest.

Of dat erg is is weer een andere vraag, die met onderzoek niks van doen heeft.

donderdag 5 maart 2026

Langs de woorden die niet kwamen


James Tissot, “Wachten”, ca. 1873

Langs wapens van verliezers,
Moegestreden 
                     buiten de tijd,
Achter wimpers vaag verborgen, 
Lijnen van 
                       geleidelijkheid,
Langs de woorden 
                         die niet kwamen,
En de diepten van verdriet,
Gaan we zoeken naar gevoelens,
Die je zo
                                 niet scherp meer ziet,

Langs de woorden 
                          die niet kwamen, 
En de diepten van verdriet.


maandag 2 maart 2026

Debutante

 
Edward Steichen, Miss Fanny Haven Wickes, december 1924

Een debutante is 
een jonge vrouw uit de hogere kringen die traditioneel voor het eerst formeel aan de samenleving wordt gepresenteerd op een "debutantenbal", in de Verengide Staten ook wel “coming-out party” genoemd. Dit evenement, vaak gehouden in de periode rond kerst en nieuw en gekenmerkt door een witte galajurk, markeert dat zij huwbaar is en toetreedt tot de volwassen sociale elite.

Fanny Haven Wickes (1906–1987), was de oudste van vier dochters van Forsyth Wickes (1907-1965, kunstverzamelaar, filantroop) en Marian Arnout Haven (1880-1969), die - vooral vanuit de Forsyth-lijn - behoorden tot de rijkste families van New York en omgeving. Ze bewoonden het statige Villa Zeezicht in Newport en hadden een prachtig buitenhuis in Tuxedo Park, waar de upperclass van New York zich ontmoette.

Eind
 december 1924 werd Fanny als debutante door haar ouders geïntroduceerd in de hogere kringen van New York, samen met drie andere jongedames (Squier, King, Vanderlip). De fameuze kunst- en modefotograaf Edward Steichen maakte voor die gelegenheid bovenstaande portretfoto, die haar eeuwigheidswaarde verschafte. In de New York Times van 30 december 1924 wordt verslag gedaan van het debutantenfeest in de ballroom suite van de Ritz-Carlton in New York, met vermelding van een hele lijst prominente aanwezigen, waaronder veel Vanderbilts. Hoe het voor Fanny persoonlijk afliep staat niet vermeld. Later huwde ze ene Parsons, die ik niet op de lijst van aanwezigen kan vinden.

De wereld van de New Yorkse upperclass, met haar ingewikkelde sociale conventies, ken ik vooral uit “The Age of Innocence”, roman van Edith Wharton uit 1920. Toen al werden die conventies gehekeld. Er is veel veranderd sindsdien. Het fenomeen van debuteren bestaat niet meer, is niet meer passend bij de normen en waarden van deze tijd. Wat ik snap, en wat ook goed is. Tegelijkertijd had ik er graag bij geweest, bij dat debutantenfeest. Ik had een goede geweest om in die upperclass te vertoeven. Al is het maar door een boek te lezen uit die tijd. Er is ook veel verloren gegaan.


Fanny Haven en haar jongere zus Marian (1907-1965), ca. 1919


Zeezicht, landgoed van de familie

zondag 1 maart 2026

Glazen bol

 
Beatrice Offor, “The glazen bol”, ca. 1900

Niemand voelt de glazen bol,
Eenieder een eigen verleden,
Loopt ieders heden veel te vol,
Volgt ieder op haar schreden,
Stapt iemand in een nieuw seizoen,
Weet niemand wat we deden,
Weet niemand wat we doen,

Alleen wat we verdeden.