Labels

Posts tonen met het label Boek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boek. Alle posts tonen

zaterdag 21 maart 2026

Verzamelaars

 


Maar voor ons betekent het dat we achterblijven met drie schitterende verhalen die ons onherstelbaar en onuitwisbaar hebben geraakt. Misschien ook een beetje verblind, maar dan zoals de titaantjes die, nadat ze uren naar de zon hadden zitten kijken, daarna nog veel meer uren lang vooral gele vlekken in hun ogen zagen. Maar die verblinding hoort bij een verwonding die we koesteren.


Paul van Tongeren


Van de eerste druk van Nescio's bundel 
Dichtertje - De uitvreter - Titaantjes uit 1918 zijn er naar schatting nog slechts enkele tientallen tot hooguit honderd exemplaren in omloop (bron De Volkskrant, 2018). Ik heb er eentje van, in een jammerlijk versleten staat, maar prachtig opnieuw ingebonden door Boekbinderij Phoenix. Laten we maar eens zeggen dat er nog een aantal exemplaren buiten zicht zijn en dat er in totaliteit, met een beetje oprekken, nog 125 originele exemplaren bestaan.

Dat oprekken doe ik een beetje omdat ik inmiddels ook een boekje van Paul van Tongeren over Nescio heb verworven, oplage, jawel: 125 stuks. Mijn vrouw vroeg me of dat wat uitmaakte. Vijftig euro voor zo’n dun boekje, 36 bladzijdes, bij een eenvoudig psychologensalaris. Eigenlijk niet, was mijn antwoord, maar ik wist natuurlijk beter. Mensen blijven verzamelaars. Noten zoeken, honderdduizend jaar. Klein boekje, groot geluk. Soms moet je die momentjes zelf creëren, zeg ik tegen mijn cliënten.


maandag 16 maart 2026

Stille citaten

 


Ik was gisteren in Edinburgh. Ik loop door de stad, stap een steegje in met de sprookjesachtige naam Lady Stair’s Close, en ik stuit onder mijn voeten, gekerfd in tegels, op een aantal citaten van Schotse schrijvers waarvan ik in de meeste gevallen nog nooit had gehoord. Even wordt het stil in mijn hoofd. Ik laat het even tot mij komen, even alleen, een ervaring door woorden gevormd, de taal voorbij, als door een knip met de vingers. Totdat mijn vrouw roept of ik nog kom. Ze wacht aan het poortje met mijn oudste zoon, die we bezoeken. Snel twee foto’s gemaakt, even rap doorlopen en ik weer terug. Zo snel kan dat gaan. Mooie stad. Mensen die me lief zijn. Mooie dag!


Een intense ervaring, de taal voorbij…


Taal vormt onze ervaringen…

maandag 16 februari 2026

Wachters

 
Vilhelm Hammerhøy, “Interior, Strandgade 30”, 1901

Ik heb een boekje gelezen van Dirk De Wachter, over wachten. Dat moest er denk ik eens van komen. Niet mijn lezen, maar zijn schrijven. Of misschien ook wel allebei.

De Wachter voelt als een zielsverwant. Even oud, een vergelijkbaar beroep, dezelfde helden: Leonard Cohen, Randy Newman, Jacques Brel, Vilhelm Hammershøy. Enthousiast over Leven en Lot, de Russische klassieken, als hij met pensioen is wil hij Marcel Proust lezen. Ruim zes jaar geleden al haalde ik het interview van Wim Kayzer met Coetzee aan in eenzelfde context als hij het doet.

Ik heb onderstrepingen gemaakt in zijn boek, wat ik eigenlijk zelden nog doe.

De Wachter haalt Heigegger aan:
Warten ohne Erwartung.
Das Wesen des Warten ist die Gelassenheit zur Gegnet.
Fragen können is warten können, sogar ein Leben lang.

In het Duits klinkt alles mooier. Ook zonder de romantiek.

De favoriete filosoof van De Wachter evenwel Levinas, die de ander boven het ego plaatst. Dasein ist miteinander sein. Echte hoop zit in de verbinding met anderen, zegt De Wachter: ik ben niet alleen. De ander maakt mijn ik. Ik besta dankzij de ander. Dankzij degenen die je lief zijn: koester dat.

Ik herken die gerichtheid op de ander, die bij ons vak hoort. Daar halen wij onze voldoening uit. Maar niet iedereen is als wij. Waarmee eigenlijk geldt: niet iedere filosofie is waar. Niet universeel. Nooit voor iedereen. Maar de waarheid van De Wachter is toch een beetje ook de mijne. En dat geeft troost.

Ook ik ben een wachter, wachten tot aan het einde, ook ik heb een vrouw die me met beide benen op de grond houdt. Gelukkig maar. Ik voel me een gezegend mens als ik zo’n boekje lees. Het leven kan goed zijn, als je het maar wil zien. Dirk heeft er een beetje bij geholpen.

zaterdag 3 januari 2026

Welbehaaglijkheid

 


Een kleine drie jaar geleden kocht ik een eerste druk van Nescio’s Dichtertje - De uitvreter - Titaantjes, uit 1918. in het hetzelfde jaar aangekocht door Jonkheer David Cornelis Roëll, goede bekende van de schrijver, later hoofddirecteur van het Stedelijk en daarna het Rijksmuseum. David Roëll die kort daarna naar Parijs trok om een dissertatie af te ronden, wat niet lukte, om vervolgens met vrienden een kunstreis door Italië te maken. Denkelijk heeft hij het boekje van meegehad op reis. Het heeft in elk geval veel te lijden gehad. Een eerste druk van Nescio leek me altijd het ultieme bezit, maar het exemplaar van Roëll dat ik bij toeval verworven had was in een dermate verlopen staat dat ik het nog niet helemaal kon voelen.

Na lang dralen heb ik het boekje nu in laten binden door Boekbinderij Phoenix, Philipp Janssen, huizende in Kamperland, waar ik meermaals een rode zon achter de einders zag verdwijnen. Vlakbij Veere, vanwaar Bavink ooit met Japi aan kwam zetten. Vanwaar Grönloh steeds zijn brieven schreef. Waar de zeelucht graaft, zoals ook ik het er voelde, al voor ik het in zijn brief had gelezen. 

“Eigenlijk wordt hier helemaal niet gedacht”, schreef hij: “Soms springen mij vanzelf de tranen in de ogen, zoo maar zonder dat ik ergens aan denk, enkel van de welbehagelijkheid."

Tja. Welbehagelijkheid. Een burgerlijk streven waar zelfs Titaantjes niet aan ontkomen. Net zo min als Grönloh zelf. Net zo min als ik. Nu kan ik het wél voelen, dankzij Philipp.

Ik denk ook weer even aan David Roëll. Die er ook niet aan ontkwam. Ik had hem willen vragen wanneer hij het boekje uit het oog heeft verloren. Het zou hem deugd hebben gedaan het zo weer terug te zien.










dinsdag 23 december 2025

Magere koeien

 
Marc Chagall, “De drie kaarsen”, 1938-1940.
Met zijn bruid Bella bij de kaarsen van liefde, hoop en geloof.
In de aanloop naar de oorlog.

De golven kwamen sissend en schuimend op de kust af en liepen dan weer terug, zoals ze tijd hadden gedaan - een blaffende meute honden, niet bij machte om te bijten. In de verte schommelde een schip met een grijs zeil. Net als de oceaan bewoog het maar bleef toch op dezelfde plaats - een lijk dat gehuld in een doodskleed over het water liep.
‘Alles is al een keer gebeurd’, dacht Herman. ‘De schepping, de zondvloed, Sodom, het ontvangen van de Thora, Hitler’s Holocaust.’ Zoals de magere koeien uit de droom van de farao had het heden de eeuwigheid opgeslokt, zonder een spoor achter te laten.

Ik lees een boek van Isaac Bashevis Singer. Nobelprijswinnaar toch. Een goede schrijver om ter hand te nemen als iedereen zijn mond vol heeft over anti-semitisme. Niet alle kritiek op Joden moet geframed worden als anti-semitisme. Singer weet dat als de beste.

De farao ziet zeven mooie, vette koeien die grazen aan de Nijl. Daarna komen er zeven lelijke magere koeien die de vette koeien opeten, zonder dat ze dikker worden. Jozef legt het de farao uit: na jaren van overvloed volgt schaarste. Een voorspelling die altijd uitkomt. Mene Tekel. En dan ben ik toch weer bij Nescio. Waar het citaat ook al aan deed denken.

vrijdag 12 december 2025

En daar waren ze…

 
  


Rilke over de danseressen van Rodin, Parijs, 15-10-1907 (in: Briefe über Cézanne, poëtische vertaling)

En daar waren ze,
Kleine, tere danseressen,
Gazellen, gewijzigd van gedaante,
Lange slanke armen,
Getrokken uit de torso
als uit een lang gehamerd stuk,
Handen als acteurs
Beweeglijk en zelfstandig in hun handeling.

En wat voor handeling,
Boeddha handen,
Zich strekkend, vlak, eeuwig
Aan de rand van een schoot,
Stil,met de palmen naar boven,
Vragend om oneindige stilte.

Handen ontwakend, stel je ze voor,
Vingers gespreid, vingers gebogen
Als de roos van Jericho,
Vingers gelukkig, of angstig,
Aan het einde van de armen:
Dansend!
Het lichaam
Ingezet op evenwicht
Van het eigen lichaam
In de lucht, de atmosfeer
Van het oosterse Goud.


Bij Rilke is het een kleine stap van proza naar poëzie. Van het proza naar verwondering. Van van proza naar een religieuze beleving. Het gonst door mijn gedachten: “En daar waren ze…”.”En wat voor handeling…”. “Stel je ze voor…”.

woensdag 10 december 2025

Herschikking

 
Cézanne, “De zee bij l’Estaque”, 1878

Ik lees Rainer Maria Rilke’s “Brieven over Cézanne”, brieven die hij in 1907 schreef aan zijn vrouw Clara Westhoff, na het bezoeken - dagelijks - van een retrospectieve tentoonstelling van Paul Cézanne. Rilke zag in Cézanne de belichaming van een kunstenaar die zijn innerlijke leven volledig in zijn werk legde, waarbij de grens tussen waarneming en creatie vervaagde.
. 
Op 3 juni 2007 schrijft hij aan zijn vrouw:

Hoezeer verschillen zien en denken elders. Je ziet en denkt: later…

Hier zijn ze bijna gelijk. Je bent weer hier: dat is niet vreemd, niet bijzonder, niet merkwaardig <…>. De dingen hier nemen bezit van je, gaan met je verder, met je mee, naar alles toe en door alles heen, door klein, door groot. Alles wat ooit was rangschikt zich anders, stelt zich op in reeksen, alsof iemand erbij staat en bevelen geeft. En het tegenwoordige is tegenwoordig in alle indringendheid, alsof het op zijn knieën voor je ligt en bidt. <… >.

De kern van het meeste psychisch leed is erin gelegen dat mensen vooral in het verleden vertoeven, soms in de toekomst, daar alles herschikken in verkeerde beelden, beelden die niet helpen, meestal beelden zonder schoonheid. De schoonheid dient vooral in de momentane beleving te worden gevonden. In het hier en nu. Zoals Rilke op de Cézanne tentoonstelling. Maar ja, vertel dat maar eens aan de mensen.

maandag 8 december 2025

Trauma voor het er was

 


Ik heb “Thérèse Raquin” gelezen, van Zola, in een recente vertaling van Jelle Noorman. Voor wie nog Zola leest tegenwoordig.

Het boek nodigt niet uit om weer eens aan het hele oeuvre van Zola te beginnen, maar is vooral interessant  vanwege de treffende beschrijving van PTSS avant-garde la lettre. De nachtmerries na de moord, de voortdurende triggers. Laurent die als moordenaar van zijn vermogende rivaal alleen nog maar diens gezicht ziet in de portretten die hij schildert. De psychologie was al begonnen ruim voor Freud. 

Ook andere verwante psychologische aspecten komen aan de orde, zoals die van de ledigheid:

Ook Laurent leidde een afschuwelijk bestaan. Decdagen duurden ondraaglijk lang en brachten steeds weer dezelfde ellende, dezelfde loodzware verveling, die hem met een verpletterende eentonigheid en regelmaat op vaste tijden overviel. Hij sleepte zich door zijn leven voort, elke avond even verbijsterd bij de herinnering aan de voorbije dag en het vooruitzicht van de volgende. Hij wist dat voortaan alle dagen op elkaar zouden lijken en telkens met dezelfde kwellingen gepaard zouden gaan. En hij overzag de weken, maanden, jaren die hem te wachten stonden, een donkere onafwendbare stoet die hem onder de voet liep en hem geleidelijk verstikte. Wanneer de toekomst hopeloos is krijgt het heden een weerzinwekkende smaak. Laurent was niet langer opstandig. Hij gaf zich over aan het niets dat al bezig was zijn hele wezen op te slokken. Zijn ledigheid was dodelijk. ‘s Morgens ging hij van huis zonder te weten waar hij heen moest, al misselijk bij de gedachte te moeten doen wat hij de vorige dag had gedaan en desondanks gedwongen hetzelfde opnieuw te doen. Door gewoonte of obsessie gedreven begaf hij zich naar zijn atelier. Dat vertrek met zijn grijze muren, van waaruit hij slechts een stukje van de hemel kon zien, vervulde hem van een diepe mistroostigheid. Hij strekte zich uit op de divan, liet zijn armen strak naar beneden hangen en verzonk in zijn beklemmende gedachten. Een penseel durfde hij al niet meer aan te raken. Hij had het nog een paar keer geprobeerd, maar telkens weer was het Camilles’s gezicht dat hem op het doek aangrijnsde. Om niet in waanzin te verzinken had hij tenslotte zijn verfdoos in een hoek gesmeten en besloten helemaal niets meer uit te voeren. Dit gedwongen nietsdoen viel hem ongelofelijk zwaar.
<…>
Soms herinnerde Laurent zich dat hij Camille had vermoord om niets meer te hoeven uitvoeren, en dan was hij stomverbaasd dat hij het zo zwaar te verduren had nu hij niets meer uitvoerde. Hij had zich wel willen dwingen gelukkig te zijn. Hij hield zich voor dat hij niet zo hoefde te lijden, dat hij juist de hoogste vorm van geluk had bereikt nu hij met zijn handen over elkaar kon blijven zitten, en dat hij wel gek moest zijn om niet in alle rust van zijn geluk te genieten. Maar deze argumenten veranderden niets aan de feiten. In zijn hart wist hij maar al te goed dat hij met nietsdoen zijn leiden alleen maar verergerde, omdat hij erdoor gedwongen werd op elk moment van zijn levensovertuiging zijn wanhoop te piekeren en steeds dieper in die ongeneeslijke wond te wroeten. De ledigheid, dat dierlijke bestaan waarvan hij gedroomd had, bleek zijn straf. Af en toe verlangde hij vurig naar een bezigheid om zijn zinnen te verzetten. Maar dan liet hij zich weer gaan, bezweek hij opnieuw onder het gewicht  van het onverbiddelijke noodlot, dat hem in zijn kluisters sloeg om hem beter te kunnen verpletteren.

Treffende woorden, hoe lang geleden ook geschreven. Loslaten, bezig blijven. In de basis is ons vak niet zo ingewikkeld.

dinsdag 11 november 2025

Twee biografieën

 


                                             Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
                                             En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
                                             Over mij-zelf en 't al, naar rijks-geboôn
                                             Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten. -

                                             En als een heir van donker-wilde machten
                                             Joelt aan mij op, en valt terug, gevloôn
                                             Voor 't heffen van mijn hand en heldre kroon:
                                             Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.

                                             Willem Kloos, Verzen, 1894


Nu heb ik twee biografieën over Kloos, niet omdat ik zijn gedichten zo graag lees, maar omdat ik vanaf mijn adolescentie voelde: ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten. Een beetje althans, met de jaen wat minder, maar toch.

Ik houd van stijl, mooischrijverij, lyriek, poëzie, l’art pour l’art. Bart Slijper heeft dat goed begrepen. Zo schrijf je een boek over Kloos, vanaf de eerste alinea:

Het zijn donkere jaren, trage uren, eindeloze dagen en Willem zit daar maar aan tafel in een boek te lezen - een stichtelijk boek, het maakt niet uit wat voor een boek. Bij hem in de kamer een vrouw en een jongen die acht jaar ouder is dan hij. Hij houdt zich doodstil in het hem vijandige huis, ‘ ‘t koele, harde huis, dat leek op een dichte kist’. Willem mag niets zeggen, tenminste niet meer dan een paar woorden en alleen als hem wat gevraagd wordt. Door de jaren heen is hij stil geslagen”.

Een biografie die zo begint wil je twee keer lezen. Zeker als psycholoog. En dus heb ik nu twee biografieën over Kloos. Wie weet waar het nog toe leidt. Misschien schrijf ik zelf nog ooit de derde, bij mogelijk nieuwe inzichten. Zo lees ik twee biografieën. Ik kan niet anders.

maandag 27 oktober 2025

Zingende Iris

 
Reclame-affiche voor Perk’s Gedichten, tweede druk, 1897

Op een veilingsite werd een zeldzaam reclame-affiche aangeboden, een raambiljet bestemd voor de boekhandel, voor de promotie van de tweede druk van Jacques Perk’s “Gedichten” uit 1897. Een wondermooi Art Nouveau ontwerp van Theo Nieuwenhuis, die ook het boekbandje ontwierp. Ik bood tot veertig euro, maar het was languit genoeg. Ik weet ook niet of i ergens had mogen hangen van mijn vrouw. Maar gelukkig heb ik mijn blog nog. Zo is i toch nog een beetje van mij, ook.

Ik heb een heel oud en ook wel mooi bandje van Jacques Perk’s “Gedichten”, twaalfde druk, 1914. Je zou die oude drukken best kunnen verzamelen. De bandjes zijn eigenlijk allemaal even mooi. Ik zocht nog even vergeefs naar de tweede druk, maar misschien ook goed dat ik niks vond. Ik moet het ook niet te gek maken natuurlijk.

Op de middelbare school moesten we in de vierde of vijfde Perk’s bekende gedicht “Iris” analyseren. Ik herinner me nog hoe moeilijk dat toen was, maar de leraar, Haarmans geloof ik, legde het allemaal met veel overtuiging uit. Intussen weet ik dat je een gedicht niet stuk moet analyseren, vaak hoef je niet eens alles te snappen, maar toch denk ik dat het toen ergens begonnen moet zijn, met mijn liefde voor poëzie. Ik vond het mooi, ben klanken nooit vergeten, ze zingen nog steeds in mijn oor:

                                 Ik ben geboren uit zonnegloren
           
                               En een zucht van de ziedende zee,
 
                              Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
 
                               Gezwollen van wanhoop en wee:
 
                              Mijn gewaad is doorweven met parels, die beven,
 
                               Als dauw aan de roos, die ontlook,
 
                              Wen de dagbruid zich baadt en voor 't schuchter gelaat
 
                              Een waaier van vlammen ontplook.


Rechterpagina tweede druk

woensdag 15 oktober 2025

Een wonderlijke vergissing

 
Vilhelm Hammershøi, “Interieur, Strandgade 30”, 1904

Nog maar een keer Nescio, omdat het weer verkiezingstijd is, en omdat ik het niet beter kan zeggen:

Alleen Hoyer weet waar de boel op uitloopt. Hij heeft wat geërfd en zit flink in de duiten. Hij is lid van de S.D.A.P. en leest „Het Volk”.

’s Avonds zit-i op ’t Leesmuseum en leest ’t Berliner Tageblatt. Schilderen doet-i niet meer. Hij weet ook waarom hij niet meer schildert: wij zijn in een tijd van verval. Een nieuwe kunst is in opkomst. Daar wacht-i zeker op. Hij brengt ondertusschen Kunst aan het Volk, hoe, dat weet ik niet. Een metselaar heeft hem eens gevraagd, „wat-i voor die smoessies kocht.” Ook daarvoor had Hoyer een verklaring „Wij sociaal democraten weten maar al te goed —”

Hij zegt een boel dingen, die erg waar zijn en als je denkt, „nou wordt ’t interessant”, dan gaat-i niet verder. Op een middag in Polen, sprak-i heel veel over „proletarisch sentiment” en „burgerlijke ideologieën.” Ik luisterde maar naar ’m. Eén keer heb ik tegen ’m gezegd: „’t Is toch mooi dat je alles zoo zeker weten kunt.”
<…>

Buiten stonden de lantaarns te branden, bleek en vreemd in ’t laatste daglicht, als een wonderlijke vergissing, zooals ze zoo dikwijls gestaan hadden. Een wonderlijke vergissing leek alles.


Een wonderlijke vergissing lijkt alles. En we leren er niks van.


zaterdag 11 oktober 2025

Gelukkige keuzes

 
Mabel Frances Laing, “Girls Dressing”, 1920-1930

Ik hoorde Boris Becker ooit zeggen, terugblikkend op zijn tenniscarrière: “Ik had veel beter met mijn vrienden kunnen gaan studeren”. Hij vertelde hoe jammer hij het vond nooit een studentenleven te hebben gehad.

Het getuigt van inzicht als je dat kunt zeggen, ook al ging het hem op dat moment niet voor de wind en lijkt het dan een beetje makkelijk.

Boris heeft nu een boek geschreven, dat ik waarschijnlijk niet ga lezen, maar dat ligt niet aan zijn verhaal. Hij was bij Eva Jinek. Eva vroeg hem of hij gelukkig was in de tijd dat zijn carrière top ging. “Niemand heeft het me ooit gevraagd”, antwoordde Boris, “Ik had geen keuze. Je zat erin en kon er niet meer uit”. Eva miste helaas de diepgang van zijn antwoord en schakelde meteen naar Marcella Mesker die even zijn tennisloopbaan moest bejubelen. Zo jammer.

De reactie van Boris had een universele kwaliteit. De meeste mensen zitten in een leven waar ze nooit bewust voor hebben gekozen, maar dat vooral is gelopen zoals het liep. Het vraagt kracht en dapperheid dit te doorbreken. Ik denk aan een jonge cliënte die op de wachtlijst staat voor een transitietraject en de worsteling alleen aan moet, met weinig steun. Uiteindelijk hoopt ze (hij) dat de dappere keuze haar (hem) gelukkig gaat maken. Of dat zo is weet je nooit. Zoals Boris nooit echt zal weten of hij gelukkiger was geweest in een gewoon burgerleven. Ook dan wordt je niet gevraagd of je gelukkig bent. Ook dan was het moeilijk geweest iets te doorbreken. Niet iedereen is zo dapper als mijn cliënt(e).

dinsdag 23 september 2025

Mrs. Dalloway en het heden

 


Mevrouw Dalloway zei dat ze de bloemen zelf wel zou kopen.

Ik herlees Mevrouw Dalloway van Virginia Woolf, nu in een vertaling van Boukje Verhey.

Mevrouw Dalloway is een merkwaardig boek waarin heden en verleden eigenlijk niet te onderscheiden zijn, als eigenlijk nooit in het leven. ‘Het verleden dient zich alleen aan als het heden zo soepel verloopt als het vliedende oppervlak van een diepe rivier’, schreef Virginia er zelf over: ‘Dan kun je door het oppervlak in de diepten kijken. Die momenten schenken mij een van de hoogste vormen van voldoening, niet omdat ik dan over het verleden denk, maar  omdat ik dan het meest volledig in het heden leef.’ 

Onze herinneringen zijn geen beelden van een voorbij verleden, maar eerder een intensivering en vervolmaking van het heden. Als psycholoog speel ik vaak met dit inzicht. Pas als je afstand kunt voelen kun je het verleden integreren in je eigen verhaal en rust ervaren. Je eigen geschiedenis boetseren. In één dag. Elke dag weer. Dat is volgens mij de kern van elke traumabehandeling.

Het gaat altijd om verdichting. Nog fragmentje dan maar:


Toch irriteerde het haar, dat dit wrede monster zich in haar roerde! dat ze twijgjes hoorde knappen en hoeven voelde neerkomen, diep in dat dichtbebladerde woud, de ziel; dat ze nooit helemaal tevreden zou zijn, of helemaal gerust, want elk moment kon de bruut zich roeren, die haat, die – zeker sinds haar ziekte – het vermogen bezat haar te bezeren, haar te kwetsen tot op het bot, die haar fysieke pijn bezorgde en al haar plezier in schoonheid, in vriendschap, in gezond zijn, in bemind worden en haar huis mooi aankleden deed wankelen, trillen en buigen alsof er werkelijk een monster aan de wortels rukte, alsof het hele arsenaal van de tevredenheid niets dan eigenliefde was! deze haat!


En nog een:

Ach ja, het zij zo. De compensatie voor het ouder worden, dacht Peter Walsh, terwijl hij met zijn hoed in de hand Regent’s Park uit liep, was simpelweg dit: dat je gevoelens onverminderd hartstochtelijk bleven, maar dat je - eindelijk! - de kunst verstaat die het bestaan zijn allerschoonste glans geeft: de kunst om vat te krijgen op ervaring, en haar langzaam rond te draaien in het licht.



          



zaterdag 2 augustus 2025

Carl is een meisje

 


De naam was ik weleens tegengekomen, steeds heb ik gedacht dat het een man was. Ik kende niks van Carl Friedman. Nog nooit had ik iets van haar gelezen. Een paar weken geleden kocht ik haar verzameld werk in de ramsj, een prachtig bandje van Van Oorschot voor vijftien gulden. Na twee alinea’s lezen in de winkel voelde ik dat het een toon was die paste. Dat kon ik niet laten liggen voor dat geld.

In 2005 ontstond er een controverse over Friedman, die de schijn wekte Joods te zijn maar het niet was. Dat las ik op internet. Sommigen vonden het schande. Het was aan mij voorbijgegaan. Maar het blijft interessant. Max Pam noemde haar een eng mens. Hij vroeg zich in een column af of de weggevallen authenticiteit afbreuk aan haar werk. Hij schreef: “Een kunstwerk is autonoom, zoals dat zo fraai heet, maar dat neemt niet weg dat je er toch anders tegen aan gaat kijken als je weet dat de schepper de boel heeft belazerd. Je kunt wel denken dat de Emmaüsgangers een even mooi schilderij bleef, toen uitkwam dat het niet door Vermeer maar door Han van Meegeren was geschilderd, maar dat is op den duur niet vol te houden.” Dat vind ik mooi gezegd maar ik ben het er niet mee  eens. Niet alleen omdat het werk van Van Meegeren nooit de kwaliteit van Vermeer heeft gehaald, maar het werk van Friedman is van hoog literair niveau. Het leest voor mij ook niet anders nu het een vrouw blijkt te zijn. Een vergelijkbare redenatie geldt voor Hamsun, Celine…

Misschien is het wel goed dat ik altijd afstand heb gehad. De controverse ligt twintig jaar achter ons en Friedman is al vijf jaar dood. Het is aan mij voorbijgegaan, maar nu ben ik wat bijgelezen. Ik lees stukken uit haar verzameld werk en ik vind het mooi. Friedman heeft al die nare criticasters niet verdiend. Dat voel ik als ik haar werk lees. Dat zie ik als ik naar haar foto kijk. Joodse of niet, Carl Friedman is een goed mens. Ze is misschien psychologisch complex, dat zou ik weleens willen ontrafelen, maar niet eng. Mensen die Carl eng noemen zijn in wezen pestkoppen. Carl is een kwetsbaar meisje, los van het feit dat ze ook zelf weleens kon pesten. Het ligt allemaal dicht bij elkaar. Postuum heb ik met haar te doen.


                              

vrijdag 27 juni 2025

Mitleid

 
Frédéric Valloton, “Het zieke meisje”, 1892

Stefan Zweig wekt in zijn roman “Ongeduld” het concept van medelijden uit. ‘Mitleid’ in het Duits. Zo schrijft hij het volgende:

Ik weet dat het geen zin heeft zich een genot te ontzeggen omdat het anderen ontzegd is, zichz LF een geluk te verbieden omdat iemand anders ongelukkig is. Ik weet dat elke seconde dat wij lachen en onnozele grappen maken, ergens iemand in zijn bed ligt te reutelen en sterft, en dat achter duizenden vensterbanken ellende schuilgaat en mensen hongerlijden, dat er ziekenhuizen, steengroeven en koolmijnen zijn, dat op fabrieken, in kantoren, in tuchthuizen tallozen moeten zwoegen, dag in dag uit, en dat de nood van niemand er minder op wordt als weer een aner zich zinloos kwelt. Ik weet maar al te goed: als je zou proberen je alle ellende voor te stellen die er op een en hetzelfde moment op deze aarde is, dan zou het je de slaap benemen en iedere lach in je mond smoren. Maar steeds is het toch niet het gedachte, het verbeelde lijden dat je verplettert en vermorzelt; alleen wat de ziel met meevoelende ogen daadwerkelijk heeft gezien, kan haar waarachtig tot ontzetting brengen.

Ik plak deze observatie op mijn werk als psycholoog. Al het leed in de wereld gaat mij minder aan het hart dan het leed van mijn cliënten. Zweig noemt dat “meegaan in het lijden”. Daar hoort een oprechtheid die alleen gevonden kan worden in het individuele contact. Al de rest is humbug en sentimentaliteit.

zondag 22 juni 2025

Telefoon

 
Pleuni Touw in “De stille kracht”, 1974

“Men zag elkaar alleen op de receptie's , en verder besprak men elkaar door de telefoon. Het misbruik van de telefoon voor huiselijk gebruik doodde alle gezelligheid tussen kennissen. Men zag elkaar niet meer, men hoefde zich niet meer te kleden en het rijtuig - de wagen - te laten inspannen, want men causeerde door de telefoon, in sarong en kabaai, in nachtbraak en kabaai, en zonder zich bijna te bewegen. De telefoon was vlak bij de hand en door de achtergalerij tjingelde telkens het belletje. Men belde elkaar op om niet, alleen om het plezier te bellen. De jonge mevrouw Harteman had een intieme vriendin, die zij nooit zag en iedere dag, gedurende een half uur lang, besprak door de telefoon. Zij ging erbij zitten, zo vermoeide het haar niet. En zij lachte en schertste met een vriendin, zonder zich te hoeven kleden, en zonder zich te bewegen. Zo deed zij met andere kennissen ook: zij maakte hare visite door de telefoon. Zij bestelde zelfs haar boodschappen door de telefoon”.  

Soms wordt ik weleens gevraagd waarom ik van die oude boeken lees, terwijl en ook zoveel mooie nieuwe boeken verschijnen. Ik doe geen moeite om me te verdedigen.

Het fragment is uit “De stille kracht” van Louis Couperus, een roman uit 1900. Ik heb in recent jaren diverse boeken van Couperus gelezen, maar deze nog niet, niettegenstaande dat ik lang geleden met veel genoegen de televisieserie had bekeken. Of misschien juist daarom. Of om de sensuele verschijning van Pleuni, die niet los wilde laten. De mooie naam van Leonie van Oudijk. Wie zal het zeggen.


vrijdag 30 mei 2025

Verhalen zonder einde

 


Nieuw boek
               van Raymond Carver,

Dik boek 
               van weinig woorden,

Mooiste bundel aller tijden zegt de Volkskrant,

Mooie omslag ook,

Dat helpt,

Krachtige verhalen,

Verhalen zonder einde
                die het soms al kunnen doen 
                met alleen de eerste zin:

  • Bill en Arlene Miller waren een gelukkig paar.
  • We hadden ons eten op en ik zat sinds een uur aan de keukentafel, met het licht uit, en keek.
  • Mijn huwelijk was onlangs stukgelopen.
  • We zouden de avond voor we verhuisden bij Pete Petersen en Mary gaan eten.
  • Gerald Weber was door zijn woorden heen.
  • Ik had een baan en Patty niet.
  • Ik wist wel dat ik er verkeerd aan deed om mijn broer dat geld te sturen.
  • Haar naam was juffrouw Dent, en eerder die avond had ze een man onder schot gehouden.


Niet teveel achter elkaar, merk ik. Niets voor in zwaarmoedige toestand.

woensdag 7 mei 2025

Mannelijkheid

 


Voor Hamsun was de mens niet meer dan een reeks voortdurend veranderende stemmingen, vaak zonder een spoor van samenhang", schrijft Singer in zijn essay "Knut Hamsun: kunstenaar van het scepticisme".  Dat spoort met de veranderende modi in de schematherapie. We doen van alles, voortdurend, ook vanalles wat tegen ons werkt. We weten vaak nauwelijks waarom.

Weer heb ik Hamsun’s “Mysteriën” herlezen, in het Duits, zoals het hoort. Ik snap de woorden van Singer: het gaat niet om de handeling, om de uiterlijkheden van wat zich afspeelt, want die ken ik intussen wel, het gaat om de mysterieuze motieven en stemmingen die eraan te grondslag liggen, waarin ik mezelf herken. Om een of andere reden zoek je altijd naar de bevestiging daarvan. Bij Hamsun vind ik die nog steeds.

Ik heb een mapje met artikelen over Hamsun op mijn computer. Eentje ervan beschrijft het gedrag van de protagonisten uit zijn vroege boeken als performatief: ze spelen verschillende vormen van mannelijkheid, de meeste - zo lees ik - “outdated”, om het maar even onvertaald te maken. Nu is natuurlijk alle gedrag performatief, zelfs als je het niet wil, maar de bron, waar het vandaan komt, kan nooit “outdated” zijn natuurlijk. Dat wat onder de ijsberg zit, de stemmingen en motieven, rivaliteit, moed, agressie, dominantie, onderwerping, trots, mededogen, oerdriften die er al zitten sinds de savannen. Ook al worden ze in ons gedrag niet altijd meer herkend. Ook bij mij niet.

Maar toch zoek ik ze nog steeds. Omdat het de poëzie is van mijn ziel. Het zal daarom zijn dat ik nog altijd herlees. Omdat dat ik anders ben dan hoe ik lijk.

Zoals iedereen trouwens.

zondag 20 april 2025

Vestdijk, Sluijters, Hamsun

 

Een mooie boekenkast is ook wat waard. Nu ik weer een beetje in Vestdijk ben gekropen moeten die paar beduimelde paperbacks die ik bezit ook maar plaats maken voor iets beters. Voor twintig euro tik ik op Markplaats een box op de kop met vijf romans. Op elk ervan prijkt een portret van Jan Sluijters. Alleen dat maakt het al de moeite waard.

Ik zoek naar het verband tussen Vestdijk en Sluijters. Ik krijg niks gevonden.

Eerder schreef ik over Sluijters:

De vrouwen die Jan Sluijters portretteerde hebben vaak iets droevigs. Ik meen dat de kunnen zien. Daar zitten verhalen achter. Zouden ze ook aan Sluijters hun verhalen hebben verteld? Of zag hij het ook zo wel! Een schilder is een schilder!

Ik lees een stuk in “Het glinsterende pantser”:

Idyllen vervreemden mijn niet van mensen. Daar ik ‘het volk beschrijven’ moest, sloeg ik een blik op jonge dochters. Uit een winkel op een straathoek groetten mij twee jonge vrouwen. Zij bleven mij onbekend. Waren zij niet zo snel uit mijn gezichtskring verdwenen, één op de fiets, ik had hen kunnen aanspreken en meetronen naar een van mijn bosplekjes, waar gesprekken mogelijk waren, niet in de trant van dorpsschonen, - die waren zij ook niet, die op de fiets leek mij een wijkverpleegster, maatschappelijkheid had haar wellicht genoopt mij zo vriendelijk toe te knikken -, niet over koetjes en kalfjes, of hazen en konijnen, maar zó bijvoorbeeld: als zij zegt: het is warm, dan zeg ik: en droog, het klimaat verandert, en met haar enkele andere dingen. Zij: zou een klimaat kunnen veranderen in dit land? Ik: ja, en deze droogte droogt alle tranen. Zij: heeft u veel gehuild? Ik: het ging niet van harte, die tranen zijn het moeilijkst te drogen. Zij: ik heb iemand gekend… maar hoe heeft zij u ongelukkig kunnen maken? Ik: het was misschien een hij, of een hij en een zij tezamen, of meerdere hijen en zijen, en misschien was ik ongelukkig, omdat zij mij niet ongelukkig kon krijgen. Zij: dan heeft u altijd naast uzelf geleefd, dan kunt u moeilijk geholpen worden. Ik: zo is het, de schoonheid der mensen is voor mij zo ontzagwekkend, dat ik haar niet bezitten kan, maar aan anderen moet geven, soms opdringen… Zij: en dat gaat niet van harte… Ik: zoals mijn tranen, zo is het.

Ik geloof dat in zulke woorden de connectie gevonden kan worden. De grondtoon van alle verhalen. De toon ook van Hamsun. De toon dus van mezelf.


     

  
     



zondag 13 april 2025

Altijd weer nieuw

 
Claude Monet, “Camille op het strand van Trouville”, 1870-71

Dat de geschiedenis zich herhaalt, is vooral daarom zo leerzaam, omdat ze zich nooit op dezelfde wijze herhaalt. Men kan dus evengoed beweren, dat zij altijd weer nieuw is.

Citaat van Simon Vestdijk. Ik kijk naar de wereld, naar Rusland, naar Israël, zie wat nu in de VS gebeurt, en telkens weer blijf ik me verbazen. De geschiedenis leert me niks.

Ik ben begonnen aan “De koperen tuin”. Op mijn leeslijst van de middelbare school stond “Terug naar Ina Dammen”. Daarna heb ik nooit meer iets van Vestdijk gelezen.

Bij Mulisch heb ik geleerd hoe een niet optimale leeservaring je lang op het verkeerd been kan zetten. Laat ik ook Vestdijk een kans geven. Mooi citaat. Hij heeft veel geschreven. Ik zou er nog lang mee vooruit kunnen.