In de lentezon schrijf ik
Wat woorden
die kringelend
mijn blaadje beslaan,
Er tussen het kringelen door
zie ik een heel
klein jongetje gaan,
Zoekend zonder zorgen,
zonder doel,
zonder ergens
bij stil te staan,
Want de doelen komen later,
en zorgen erachteraan,
Hè jongetje roep ik,
zo ver van mij vandaan,
Hé jongetje roep ik,
ik roep en hoor mijn naam,
Hé jongetje,
Hé jongetje,
blijf toch even staan,
Je bent zo ver
zo ver van mij vandaan,
En toch voel ik je bijna,
bijna raak ik je aan
Heel even kan ik er bijna weer aan,
Ik laat je niet gaan,
ik laat je niet gaan,
